Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnummer: 847527/417, 12-7748)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Ik zag dat een schoonmaakster mij zag en een gebaar maakte, te weten zij tikte met haar vinger tegen haar hoofd”. Dit laatste wordt weer bevestigd door de verklaringen van [schoonmaakster], waaruit volgt dat zij hiermee een gebaar wilde maken van “spoor jij wel”. De verklaring van [geïntimeerde] op het punt van dit gebaar van [schoonmaakster] houdt niet meer in dan dat [geïntimeerde] niet wist waarom [schoonmaakster] dat deed.
Uiteindelijk vond ik [geïntimeerde]. Hij zat op z’n knieën achter een pallet. Hij zat duidelijk verstopt”. Ook uit de verklaring van [geïntimeerde] volgt dat hij zich schuil hield achter de stelling. Dat hij dat, zoals hij heeft verklaard, deed om [getuige 4] te laten schrikken, is door [getuige 4] in zijn verklaring weersproken, en overtuigt ook overigens niet. [geïntimeerde] had in ieder geval blijkens zijn verklaring zijn naam horen roepen en moet dus geweten hebben dat er naar hem werd gezocht.