Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door mr. Klappe;
- de vader;
- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad].
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 september 2013;
- de brief van de raad d.d. 12 februari 2014, waarin de raad mededeelt dat de hierna te noemen minderjarigen niet bekend zijn bij de raad;
- de brief van de raad d.d. 17 maart 2014, met de mededeling dat de raad ter zitting zal verschijnen.
3.De beoordeling
- Is de vader in staat om omgang met [dochter 1] en [dochter 2] te hebben en is de moeder in staat om de omgang te begeleiden, dan wel te faciliteren?
- Zo ja, welke omgangsregeling lijkt de raad het meest in het belang van [dochter 1] en [dochter 2]?
- Zijn er bijzonderheden/belemmeringen bij de kinderen aanwezig waarmee rekening gehouden moet worden bij het vaststellen van een omgangsregeling?
- Welke begeleiding is er voor de ouders nodig om te komen tot de uitvoering van de omgangsregeling?
- Indien omgang niet in het belang van [dochter 1] en [dochter 2] is, wat zijn dan de contra-indicaties?
- Indien er op dit moment geen mogelijkheden zijn voor omgang: wat is er dan nodig om in de toekomst tot omgang te komen?