Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties;
- het pleidooi in de hoofdzaak, waar beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd en de Staat voorts bij akte de tevoren toegezonden producties 9 tot en met 13 in het geding heeft gebracht.
2.De gronden van het hoger beroep
3.De beoordeling
In opdracht van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (…) bovengenoemde gegevens van rekeninghouders verwerkt in een bestand (cliëntenbestand KB Lux). Dit bestand is ook in opdracht van de FIOD Opsporingsdienst Haarlem door B/KIR gematched met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Hierdoor zijn ruim 2000 rekeninghouders vermoedelijk geïdentificeerd. (…) In voornoemd cliëntenbestand KB Lux is door mij geconstateerd dat twee personen, conform de afgedrukte microfiches, dezelfde achternaam hebben. Dit zijn:
Teneinde aan te tonen dat de betreffende microfiches effectief afkomstig zijn van KB Lux, werden de afdrukken van bepaalde van deze microfiches vergeleken met documenten die met zekerheid afkomstig waren van KB Lux (papier met hoofding en logo van KB Lux) en die door sommige belastingplichtigen zelf ter beschikking werden gesteld als antwoord op de aan hen gestelde vragen om inlichtingen. Bij die vergelijking werd vastgesteld dat de rekeningnummers en de saldo’s die voorkomen op de microfiches wel degelijk overeenkomen met deze die voorkomen op de door de betrokken belastingplichtigen ter beschikking gestelde documenten (zie bijlagen).”
[appellante] ou mr. [echtgenoot]”. De slotconclusie van dit proces-verbaal luidt:
“
Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienst staande landelijke bestanden, komt één persoon als rekeninghouder in aanmerking, zijnde: [appellante], gehuwd geweest met [echtgenoot] (…)”.
[appellante] ou mr. [echtgenoot]” voorkomt en bij nummer [rekeningnummer 1] de naam “
[echtgenoot] [appellante]”.
Mevrouw [echtgenoot] stelt in een gesprek niet op de hoogte te zijn van het bestaan van een bankrekening in Luxemburg. Ondanks een eerdere toezegging van haar om de gegevens bij de bank te gaan opvragen werkt ze plotseling niet meer mee.” [appellante] heeft de juistheid van de inhoud van deze passage in de door haarzelf overgelegde brief niet betwist, zodat het hof er van uit zal gaan dat zij destijds – vóór 16 oktober 2002 – inderdaad heeft toegezegd gegevens bij KB-Lux te zullen opvragen.
wijst af het meer of anders gevorderde” bij de uitspraak in conventie.