ECLI:NL:GHSHE:2014:2838

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 augustus 2014
Publicatiedatum
21 augustus 2014
Zaaknummer
F 200.136.651_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake kinderalimentatie en draagkracht vader

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben een zoon geboren in België in 2010. Na echtscheiding is het hoofdverblijf van de zoon bij de vrouw in Bulgarije. De rechtbank had de man veroordeeld tot een maandelijkse bijdrage van €181 aan kinderalimentatie vanaf 5 september 2012.

De man ging in hoger beroep en voerde aan dat zijn draagkracht onvoldoende was om deze bijdrage te betalen. Het hof stelde vast dat de man geen of verwaarloosbare inkomsten uit vermogen had en dat zijn gemiddelde bedrijfsresultaat over 2010-2012 negatief was, waardoor hij geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen.

Het hof oordeelde dat de overige grieven van de man, met betrekking tot de behoefte van de zoon, geen bespreking behoefden omdat de draagkracht van de man leidend is. Daarom vernietigde het hof het deel van de beschikking dat kinderalimentatie vaststelde en wees het verzoek van de vrouw af. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw tot bijdrage van de man af wegens onvoldoende draagkracht van de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 21 augustus 2014
Zaaknummer: F 200.136.651/01
Zaaknummer eerste aanleg: 85478 / FA RK 12-1219
in de zaak in hoger beroep van:
[de man],
wonende te
[woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.M. Claase,
tegen
[de vrouw],
wonende te
[woonplaats], Bulgarije,
verweerster,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. V.C. Serrarens.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 september 2013.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 november 2013, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de behoefte van [de zoon] bij feitelijk domicilie in Nederland op € 195,- bruto per maand vast te stellen;
2. de behoefte van [de zoon] bij feitelijk domicilie in Bulgarije vast te stellen op
€ 69,23 bruto per maand;
3. de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 5 september 2012 te bepalen op nihil, althans op een zodanige bijdrage en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht;
4. de vrouw te veroordelen inzage te verschaffen in haar huidige draagkracht;
5. de vrouw te veroordelen maximale inspanningen te verrichten om (meer uren per week) betaald werk te verrichten en de man op maandbasis te voorzien van informatie met betrekking tot deze inspanningen.
2.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 8 januari 2014, heeft de vrouw verzocht het beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de man, bijgestaan door mr. Claase;
  • mr. Serrarens, namens de vrouw.
2.3.1.
De vrouw is
,hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 maart 2013;
  • de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 11 november 2013;
  • het V-formulier van de advocaat van de man d.d. 16 juni 2014.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen zijn op 15 december 2009 met elkaar gehuwd.
Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], België, [de zoon] (hierna: [de zoon]) geboren.
[de zoon] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw in Bulgarije
.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw de Bulgaarse.
3.2.
Bij beschikking van 30 november 2011 heeft de rechtbank Middelburg tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 maart 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] moet voldoen een bedrag van € 181,- per maand met ingang van 5 september 2012
.
3.4.
De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van [de zoon], de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man.
3.6.
Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot de onderhavige verzoeken en daarop is Nederlands recht van toepassing.
Ingangsdatum
3.7.
De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 5 september 2012, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.
Draagkracht man
3.8.
De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van [de zoon] van € 181,- per maand te voldoen.
De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een inkomen uit vermogen van € 8.947,- per jaar en heeft daardoor een veel te hoog jaarinkomen in aanmerking genomen, aldus de man.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.8.1.
Het hof overweegt als volgt.
3.8.2.
Het hof zal met het inkomen uit vermogen van € 8.947,- per jaar geen rekening houden, nu aannemelijk is, en niet door de vrouw is betwist, dat de man geen, althans te verwaarlozen inkomsten uit de kapitaalverzekering heeft. Uitgaande van de voor het overige niet betwiste draagkrachtberekening van de rechtbank zonder rekening te houden met enig inkomen uit vermogen, stelt het hof vast dat de man niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon].
Voor zover zijdens de vrouw ter zitting is betoogd dat de stellingen in hoger beroep van de man niet gevolgd kunnen worden omdat de inkomensgegevens van 2013 ontbreken, overweegt het hof als volgt. Uitgaande van een gemiddelde bedrijfsresultaat van € 19.998,-per jaar (2010 (€ 18.015,-), 2011 (€ 28.316,-) en 2012 (€ 13.664,-) heeft de man een negatieve draagkracht van tenminste € 345,-. Gezien de verklaringen van de man ter zitting acht het hof niet aannemelijk dat het bedrijfsresultaat in 2013 in die mate is gestegen dat het gemiddelde bedrijfsresultaat daardoor zodanig toeneemt, dat een nieuwe mede daarop gebaseerde draagkrachtberekening wel tot een positieve draagkracht zou leiden. Bij deze overwegingen heeft het hof mede betrokken de resultaten in het verleden, de aard van de werkzaamheden van de onderneming van de man en de huidige economische situatie.
3.9.
Nu vaststaat dat de man niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], behoeven de overige grieven van de man, die betrekking hebben op de hoogte van de behoefte van [de zoon], geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover daarbij kinderalimentatie is vastgesteld.
3.10.
De beschikking waarvan beroep dient aldus gedeeltelijk te worden vernietigd.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 september 2013, doch uitsluitend voor zover daarbij kinderalimentatie is vastgesteld;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon];
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, C.E.M. Renckens en
P. Vlaardingerbroek en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2014.