In deze civiele zaak gaat het om de vaststelling van kinderalimentatie na het uiteengaan van partijen die nooit samenwoonden. De vrouw vordert een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, met ingang van 1 mei 2012. De rechtbank had dit vanaf 1 september 2012 vastgesteld, waarop hoger beroep werd ingesteld.
Het hof overweegt dat de behoefte van het kind wordt bepaald door het gemiddelde van de behoefte berekend op het inkomen van beide ouders, conform de richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen. De ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld op 1 mei 2012, omdat partijen toen al over de bijdrage correspondeerden. De draagkracht van de man wordt per periode vastgesteld, rekening houdend met zijn inkomen, WW-uitkering, en schuldenlast, waarbij de aflossing op schulden vóór de alimentatieverplichting wordt meegenomen.
De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering en wordt geacht zich in te spannen voor werk, maar haar verdiencapaciteit wordt voorlopig niet financieel betrokken. De man kan de gevorderde bedragen betalen. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets faalt omdat de onderhoudsverplichting aan het kind voorrang heeft boven die aan zijn partner. De proceskosten worden gecompenseerd. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank, stelt de alimentatiebedragen per periode vast en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.