Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/100143/HAZA 10-264)
2.Het geding in hoger beroep
3. De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
De crediteur stelt bij deze de vermelde vordering(en) met de daarover verschuldigde rente achter bij de vorderingen, die de bank op de debiteur heeft en/of zal verkrijgen…
in het algemeenbelangrijke contracten op iedere pagina worden geparafeerd, ook als niet relevant worden gepasseerd. Dit bewijsaanbod heeft immers geen betrekking op een concreet gesteld feit dat kan leiden tot beslissing van de zaak. Ook indien een dergelijke praktijk (belangrijke contracten op iedere pagina paraferen) zou bestaan, laat dit – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – het voormelde aan de handtekeningen van [appellante] ontleende gerechtvaardigde vertrouwen van [geïntimeerde] onverlet, nu [appellante] geen concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat [geïntimeerde] uit het niet paraferen van de eerste twee pagina’s van de overeenkomsten redelijkerwijs had kunnen of moeten afleiden dat zij de overeenkomsten niet wenste aan te gaan. Zoals [geïntimeerde] terecht aanvoert, is geen sprake van een wettelijk constitutief vereiste van het paraferen van elke bladzijde voor het tot stand komen van een overeenkomst.
- [appellante] wordt door de achterstellingsovereenkomsten beperkt in haar rechten en volledig afhankelijk van de bank;
- Deze overeenkomsten zijn zo geformuleerd dat de vordering van [appellante] wordt achtergesteld bij de vordering die Rabobank heeft ‘en/of zal verkrijgen’, zodat de achterstelling tot in lengte van dagen van kracht zou kunnen zijn.
5.De uitspraak
- [geïntimeerde] ten tijde van het aangaan van de achterstellingsovereenkomsten wist of moest begrijpen dat aflossingen op de geldlening vereist en bestemd waren, overeenkomstig een met instemming van [geïntimeerde] getroffen regeling in de familie, voor de huur of anderszins voor het levensonderhoud van Van [echtgenote en wijlen haar echtgenoot], en
- de inhoud en de gevolgen van de achterstellingsovereenkomsten bij de totstandkoming van die overeenkomsten niet naar behoren zijn uitgelegd aan [appellante] door [geïntimeerde] dan wel zijn broer;