ECLI:NL:GHSHE:2014:2022

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 juli 2014
Publicatiedatum
2 juli 2014
Zaaknummer
20-004197-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 261 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dagvaarding nietig wegens onduidelijke tenlastelegging bij dierenwelzijnsovertreding

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor overtreding van artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wegens het onthouden van verzorging aan paarden en veulens. In hoger beroep werd onderzocht of de dagvaarding geldig was.

Uit het dossier bleek dat meerdere dieren op het terrein van de verdachte zich konden verwonden aan voorwerpen en niet beschikten over een droge lig- of staanplaats. Echter was in de tenlastelegging niet duidelijk aangegeven welk specifiek verwijt op welk dier betrekking had, noch welke dieren niet werden verweten.

Het hof oordeelde dat de dagvaarding niet voldeed aan de eisen van artikel 261 Sv Pro, omdat niet duidelijk was wat de verdachte precies werd verweten en wat de omvang van het strafgeding was. Daarom werd de dagvaarding nietig verklaard en het vonnis vernietigd.

De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beslissing met een juiste en duidelijke tenlastelegging.

Uitkomst: De dagvaarding is nietig verklaard wegens onvoldoende gespecificeerde tenlastelegging.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-004197-13
Uitspraak : 2 juli 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2013 in de strafzaak met parketnummer 82-026266-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is vrijspraak bepleit en meer subsidiair is betoogd om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Geldigheid van de dagvaarding
Aan verdachte is impliciet cumulatief ten laste gelegd dat hij op 4 juni 2012 aan 12 paarden en 3 veulens de nodige verzorging heeft onthouden immers verbleven een of meer paarden op plaatsen waar zich voorwerpen bevonden waaraan zij zich konden verwonden dan wel bezeren en hadden een of meer dieren niet de beschikking over een droge lig- of staanplaats. Blijkens het voorhanden zijnde dossier en het onderzoek ter terechtzitting bevonden zich op het terrein van verdachte ten minste 15 paarden en 4 veulens. Al deze dieren worden in het proces-verbaal vermeld. Uit het proces-verbaal is gebleken dat sommige dieren zich konden verwonden of bezeren aan voorwerpen, dat andere dieren niet beschikten over een droge lig- of staanplaats en dat voor een aantal dieren een combinatie van beide verwijten gold. In de tenlastelegging is echter niet nader aangeduid welk specifiek verwijt of verwijten betrekking heeft/ hebben op welk paard of veulen. Tevens blijkt niet uit de tenlastelegging ten aanzien van welke paarden en veulens verdachte geen verwijt is gemaakt.
Gelet op voorgaande onduidelijkheden overweegt het hof het volgende.
In de tenlastelegging dient het openbaar ministerie duidelijk te omschrijven wat de verdachte in strafrechtelijke zin wordt verweten. Die eis is neergelegd in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Het hof dient vervolgens te beslissen op grondslag van de tenlastelegging met gevolg dat het hof zich dient te houden aan wat het openbaar ministerie heeft bedoeld de verdachte te verwijten. Nu het in de onderhavige strafzaak voor het hof – gelet op de inhoud van de tenlastelegging – niet duidelijk is wat de verdachte precies wordt verweten en daarmee niet duidelijk is wat de omvang van het strafgeding is, is het hof van oordeel dat de inleidende dagvaarding met betrekking tot het ten laste gelegde nietig behoort te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de inleidende dagvaarding nietig.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,
mr. F.P.E. Wiemans en mr. E.N. van der Spoel, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier,
en op 2 juli 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.