Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 253025 / KG ZA 12-657)
2.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven, waarbij acht producties zijn overgelegd;
- de memorie van antwoord houdende incidenteel appel;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel.
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
“Dat de na schifting van alle zich op de aangetroffen gegevensdragers bevindende digitale en analoge bestanden aangetroffen bestanden/bescheiden voldoen aan de in de beschikkingen gestelde criteria, een en ander vermeld in de aan dit proces-verbaal van constatering gehechte verklaring, welke is ondertekend”.
Factuur: inzake overeenkomst van geldlening ad € 366.666,67” en waarin per kwartaal rente in rekening wordt gebracht. Als productie 4 bij haar dit geding inleidende dagvaarding heeft [appellante] overgelegd aan Quivest gerichte brieven van 29 april 2005, 21 juni 2005, 5 oktober 2005, 4 januari 2007, 2 april 2007, 4 april 2008, 5 oktober 2009 en 7 oktober 2011 waarin telkens melding wordt gedaan, samengevat, van de opeisbaarheid van de geldlening en waarin Quivest wordt aangemaand tot betaling. Bezien in onderling verband en samenhang hebben die facturen en brieven, mits door Quivest ontvangen, de verjaring van de vordering tot terugbetaling van de geleende som gestuit in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro.