Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 215523/haza 10-1721)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Notulen van de zaakvoerder van 01/05/2008 voor de algemene vergadering van 01/06/2008 (..)”. Deze notulen luiden:
De zaakvoerder neemt akte van artikel 96,6˚ van de Vennootschappenwet: (..)
- Dit is het eerste boekjaar met een zwaar wegende opstart fase. Eens deze fase en de onderneming op punt staan, worden er winsten verwacht
- Er wordt een sterke stijging van de omzet verwacht in de volgende boekjaren, zodat er geen enkele reden is om over te gaan tot waardering in de optiek van discontinuïteit.
§1. De vennootschappen handelen door hun organen waarvan de bevoegdheden worden vastgesteld door dit wetboek, het doel en de statuten. De leden van deze organen zijn niet persoonlijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap.§ 2. Wanneer een rechtspersoon aangewezen wordt tot bestuurder, zaakvoerder (..), benoemt deze onder zijn vennoten, zaakvoerders, bestuurders, (..) een vaste vertegenwoordiger die belast wordt met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen en is burgerrechtelijk en strafrechtelijk aansprakelijk alsof hij zelf de betrokken opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou volbrengen, onverminderd de hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt. Deze laatste mag zijn vertegenwoordiger niet ontslaan zonder tegelijk een opvolger te benoemen.Art. 96: Het Pro jaarverslag bedoeld in artikel 95 bevat Pro
in een geval als het onderhavige” processtukken (conclusies, akten of producties) die in de ene zaak zijn gewisseld eerst dan kunnen worden gerekend tot de stukken in de andere zaak, indien zij in laatstgenoemde zaak bij conclusie of akte en daarmee kenbaar voor rechter en wederpartij(en) als producties in het geding zijn gebracht. Daarop is het bepaalde in art. 85 Rv Pro van toepassing, welke bepaling, als uitwerking van het in art. 19 neergelegde Pro beginsel, waarborgt dat de wederpartij in staat is naar behoren te reageren op de in het geding gebrachte producties, aldus de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad is gegeven in de zaken van een opdrachtgever tegen resp. de projectontwikkelaar en de aannemer.
Deze vertegenwoordiger kan hoofdelijk met de rechtspersoon aansprakelijk worden gesteld. Zodoende wordt de verantwoordelijkheidszin aangescherpt van de natuurlijke persoon die de opdracht zal uitoefen, en worden derden die schade hebben geleden door het optreden van de rechtspersoon-bestuurder (..) maximaal beschermd De hoofdelijkheid houdt immers in dat zowel van de rechtspersoon als van de vertegenwoordiger vergoeding van de gehele schade kan gevorderd worden” (prod. 24 mva).
uiteenzetting van de maatregelen die[het bestuur]
overweegt te nemen tot herstel van de financiële toestand van de vennootschap”,als voorgeschreven in art. 332 W. Venn, ontbreekt
.
Bij het aangaan van de overeenkomsten tot levering van zand en grind aan BCR met [geïntimeerde] mocht [appellant] ervan uitgaan dat de verplichtingen jegens [geïntimeerde] door BCR zouden kunnen worden voldaan. Er was geen enkele aanleiding voor [appellant] om aan te nemen dat BCR niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen”. (cva nr. 13) en “(..)
De peildatum, het moment dat [appellant] vast kon stellen dat BCR niet meer aan de verplichtingen kon voldoen en er geen reële reddingsmogelijkheden meer bestaan, is echter gelegen na 17 juli 2009 (..) Van een verplichting tot waarschuwen van [geïntimeerde] of een verplichting tot stoppen met afname van zand en grind bij [geïntimeerde] was destijds derhalve geen sprake.” (cva nr 14)