Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
17.Het verloop van de procedure
- de beslissing van dit hof van 2 januari 2014, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundige op de voet van artikel 199 lid 1 Rv Pro zijn vastgesteld;
- de memorie na deskundigenbericht van [appellant] met negen producties (nrs. 78 t/m 86);
- de (antwoord)memorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] met zes producties (nrs. 1 t/m 6).
18.De verdere beoordeling
- dat geen nieuw deskundigenbericht hoeft te worden gelast;
- dat het deskundigenbericht van Van Steensel in combinatie met andere stukken en informatie voldoende aanknopingspunten biedt om een redelijke mate van zekerheid te krijgen over de oordelen die het hof over de aan de deskundige voorgelegde kwesties moet geven.
- bij de verkorte weergave door de deskundige van de vragen van het hof op de bladzijdes 1 en 2 van het deskundigenbericht bepaalde door het hof aangebrachte nuanceringen verloren zijn gegaan;
- de deskundige de nadruk heeft gelegd op controlewerkzaamheden van formele aard en daarbij onvoldoende invulling heeft gegeven aan materiële onderzoeksmogelijkheden aan de hand waarvan over een aantal van de door [appellant] gestelde uitgaven meer zekerheid had kunnen worden verkregen.
- € 52.172 aan 6811 uren tegen een uurtarief van € 7,66;
- € 51.236,-- aan materiaalkosten.
- dat het door [Poolse ondernemer] gemiddeld gehanteerde uurtarief gesteld moet worden op € 9,-- per uur;
- dat het aantal uren gesteld moet worden op 7.095,5 (omdat ook nog 284,5 uur aan onderhoud aan de studentenpanden moet worden meegenomen);
- dat de materiaalkosten met de door [appellant] overgelegde producties voldoende zijn onderbouwd.
- de hoofdsom genoemd in rov. 2.11.1 van het vonnis: € 84.183,--
- de rente over deze hoofdsom:
- het totaal over deze twee bedragen: € 103.477,--
- de op de balans per 30 juni 2005 opgenomen schuld aan [vader van partijen]
- totaal € 223.169,--
- de waarde van de onroerende zaken en de bankschulden buiten beschouwing worden gelaten;
- ervan wordt uitgegaan dat [appellant] beweerdelijke uitgaven die niet afdoende zijn aangetoond dan/wel niet aannemelijk zijn geworden aan de gemeenschap moet vergoeden;
- ervan wordt uitgegaan dat [appellant] eventuele bovenmatige beheersvergoedingen die aan hem of [Vastgoed] BV zijn voldaan, aan de gemeenschap moet vergoeden.”