ECLI:NL:GHSHE:2014:1811

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 juni 2014
Publicatiedatum
18 juni 2014
Zaaknummer
20-002866-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 300 SrArt. 326 SrArt. 9a SrArt. 27 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak oplichting en veroordeling mishandeling echtgenote

In hoger beroep is verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van oplichting, omdat het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte gebruik heeft gemaakt van oplichtingsmiddelen zoals een valse naam of listige kunstgrepen. Verdachte had een auto gekocht met betalingsafspraken, maar het niet nakomen van deze afspraken kwalificeerde niet als oplichting.

Wel is verdachte veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote op 23 augustus 2011. Hij had haar aan de haren getrokken en de slang van een sondevoeding uit haar neus getrokken, waardoor zij letsel en pijn heeft ondervonden. Het hof achtte dit wettig en overtuigend bewezen en strafbaar volgens artikel 300 Sr Pro.

De mishandeling vond plaats onder invloed van alcohol en ondanks verzoening met het slachtoffer achtte het hof de strafwaardigheid en ernst van het feit zwaarwegend. Verdachte was eerder ook al veroordeeld voor mishandeling van dezelfde echtgenote.

Het hof veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van zes weken, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest had doorgebracht. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij in de oplichtingszaak werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte van dat feit werd vrijgesproken.

De kosten werden ieder voor eigen rekening genomen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze uitspraak.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van oplichting en veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf voor mishandeling van zijn echtgenote.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer : 20-002866-13
Uitspraak : 6 juni 2014
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 2 september 2013 in de strafzaak met parketnummer 04-850326-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte
vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde (verduistering) en is hij
veroordeeld ter zake van - kort gezegd – mishandeling (feit 1) en oplichting (feit 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënvijftig dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft de eerste rechter beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is in hoger beroep niet meer aan de orde, nu verdachte voor het desbetreffende feit in eerste aanleg is vrijgesproken en dit feit in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tweeënvijftig dagen met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzonder voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens verdachte is ten aanzien van feit 1 toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit en ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit, met niet-ontvankelijk verklaring c.q. afwijzing van de (vordering van de) benadeelde partij. Indien het hof tot een bewezenverklaring komt van feit 2 heeft de verdediging zich aangesloten bij de eis van de advocaat-generaal.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:
1:
hij op of omstreeks 23 augustus 2011 in de gemeente Weert opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] aan de haren heeft getrokken en/of de slang van een sondevoeding uit de neus heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
2:
hij in of omstreeks de periode van 19 april 2011 tot en met 21 april 2011 in de gemeente Weert met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van een personenauto (kenteken [kenteken], merk BMW), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich ten opzichte van die [slachtoffer 2] heeft voorgedaan als bona fide koper van een personenauto (kenteken [kenteken], merk BMW) en/of tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij een personenauto (kenteken [kenteken], merk BMW) (ter waarde van euro 2700,--) wilde kopen, dat hij krap bij kas zat en die auto niet meteen kon betalen, dat hij op 10 mei 2011 euro 500,-- zou betalen en het restant voor 1 juni 2011 zou betalen, waardoor [slachtoffer 2], voornoemd, en of [slachtoffer 3] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van feit 2
Van strafbare oplichting is volgens artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht pas sprake indien de dader gebruik maakt van een of meer in deze bepaling genoemde oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, het gebruik maken van listige kunstgrepen en het gebruik maken van een samenweefsel van verdichtsels.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde oplichting.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt slechts dat verdachte in de ten laste gelegde periode een BMW heeft gekocht waarvan de prijs € 2700,-- bedroeg en dat verdachte deze op 21 april 2011 geleverd heeft gekregen onder de voorwaarde om op 10 mei 2011 een betaling te doen van € 500,-- en het restant voor 1 juni 2011. Verdachte is met betaling in gebreke gebleven, ondanks voortdurend aandringen door [slachtoffer 2], maar heeft de auto niet teruggegeven aan [slachtoffer 2].
Er is geen bewijs dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bewogen tot afgifte van die BMW door gebruik te maken van een van de in de wet (en in de tenlastelegging) genoemde oplichtingsmiddelen. In dit verband overweegt het hof dat het enkele zich voordoen als bona fide koper niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid. Bovendien acht het hof niet bewezen dat verdachte zich leugenachtig heeft voorgedaan als bona fide koper. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat volgens afspraak met de verkoper, de verdachte bij de koop een overschrijvingsbewijs van een hem toebehorende vrachtauto als onderpand heeft achtergelaten, de verkoper de reservesleutel en kentekenbewijs deel III onder zich hield en dat verdachte op 11 mei 2011 is teruggekeerd naar aangever om een aanbetaling van € 350,- euro te doen.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de verdachte vrijspreken van dit feit.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:
hij op 23 augustus 2011 in de gemeente Weert opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] aan de haren heeft getrokken en de slang van een sondevoeding uit de neus heeft getrokken, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf of maatregel
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit acht het hof geen termen aanwezig om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, zoals verzocht door de verdediging.
Verdachte heeft in dronken toestand zijn zieke echtgenote met kracht aan de haren getrokken en de slang van de sondevoeding uit haar neus getrokken, waardoor zij pijn en letsel heeft opgelopen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Dat verdachte een zijn echtgenote zich inmiddels (weer) hebben verzoend, doet aan de grofheid en de strafwaardigheid van het handelen van verdachte niet af.
Verdachte is eerder veroordeeld ter zake van mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote gepleegd op 23 juli 2009 én op 22 juli 2009 (vonnis politierechter Roermond 2 november 2009).
Het hof acht een gevangenisstraf van zes weken met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.225,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Nu verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering niet worden ontvangen. Het hof zal de proceskosten compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Aldus gewezen door
mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,
mr. J.C.A.M. Claassens en mr. T. Kooijmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,
en op 6 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. T. Kooijmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.