Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 228896/HA ZA 11-636)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
verzoekenvoor opdrachten aan leveranciers naar [directeur vastgoed van GGzE] is gegaan, waaruit het hof afleidt dat [externe projectleider] zelf van mening was dat hij op 6 mei 2010 nog geen opdrachten aan leveranciers had verstrekt. Daar komt nog bij dat de getuigenverklaring van [externe projectleider] verder inhoudt dat als hij niet meteen commentaar van (onder meer) [directeur vastgoed van GGzE] krijgt op een ingelegde order, hij er dan van uitgaat dat hij ‘verder aan de gang’ kan gaan, maar dat [externe projectleider] in het onderhavige geval juist wel direct commentaar van [directeur vastgoed van GGzE] kreeg toen hij met zijn voorbereide verzoeken voor opdrachten naar [directeur vastgoed van GGzE] ging.
Daar waar [directeur vastgoed van GGzE] als getuige heeft verklaard dat [externe projectleider] op 7 mei 2010 tegen hem heeft gezegd ‘dat hij KCB al had gegund’, gaat het hof ervan uit dat dit op een vergissing berust; uit de getuigenverklaring van [externe projectleider] zelf volgt immers dat [externe projectleider] nog geen opdracht aan KCB had verstrekt. Het hof zal op dit punt dan ook geen waarde hechten aan de getuigenverklaring van [directeur vastgoed van GGzE].
verzoekte doen om een opdracht te verlenen aan de leveranciers. KCB heeft geen bewijs bijgebracht waaruit kan volgen dat met deze opmerking iets anders is bedoeld of dat zij deze opmerking anders heeft mogen opvatten.
gunningsadviesvoor opdrachtverstrekking bij de opdrachtgever GGzE ligt.