Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
9.Het verloop van de procedure
- de memorie na enquête tevens houdende vermeerdering van eis en vermindering van eis tevens correctie van de gevraagde verklaring voor recht, van [appellant] van 3 december 2013 met twee producties;
- de memorie na enquête van [geïntimeerde] van 18 februari 2014.
10.De verdere beoordeling
Ik […..] vertelde [geïntimeerde] dat [….] er bij ons een zedenincident was gemeld waarin hij als verdachte genoemd werd. Wij verbalisanten hoorden dat [geïntimeerde] vertelde dat hij altijd al pedofiele neigingen heeft gehad, maar dat er de laatste twintig jaar geen incidenten meer voor hebben gedaan. Ik [….] vroeg aan [geïntimeerde] wat er daarvoor dan had plaatsgevonden. Daar gaf [geïntimeerde] geen antwoord op. Vervolgens werd door mij de naam [roepnaam appellant] genoemd. Wij verbalisanten hoorden dat [geïntimeerde] toen ondermeer zei dat hij daar inderdaad te ver mee was gegaan. Hij vertelde dat die jongen zo’n aantrekkingskracht op hem had, dat hij zich daar niet in kon bedwingen. Dat [roepnaam appellant] toen 12 of 13 jaar oud was. Dat ze elkaar betast hebben en elkaar hebben afgetrokken en dat hij zijn penis er voor heeft gehouden, maar niet bij hem naar binnen is gegaan. Wij verbalisanten vertelden dat [roepnaam appellant] door dit gebeuren geestelijk erg veel geleden heeft. Wij verbalisanten hoorden dat [geïntimeerde] dit heel erg vond en dat hij graag een gesprek met [roepnaam appellant] zou willen. [….] Door ons verbalisanten werd aan [geïntimeerde] meegedeeld dat wij het gesprek terug zouden koppelen aan de aangever. Dit vond hij prima.[…]”
nietin onderlinge samenhang heeft beoordeeld, overweegt het hof dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat eventuele gebreken rond de verzending en het ter kennis brengen van de inhoud van het rapport aan [appellant], geen invloed hebben op de inhoud van het rapport. Voorts is de rechtbank terecht afgegaan op de mededeling van de deskundige dat de brief van Hoppenbrouwers een bevestiging vormt van zijn eigen standpunt, en dat deze aan de brief geen zelfstandige betekenis toekent, zodat de rechtbank ook terecht aan het bezwaar van [appellant] op dit punt voorbij is gegaan.
waarschijnlijkis geweest, maar waarover hij
geen zekerheidheeft; vanuit een veronderstelling over die relatie acht [psycholoog] de conclusie van Van Eijk dat de schade bij [appellant] geheel vanuit een hechtingsstoornis moet worden verklaard, onbegrijpelijk. De door [appellant] geschetste duur en de intensiteit van de relatie met [geïntimeerde], waarop [psycholoog] zijn conclusies baseert, staan in rechte niet vast.