Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1],wonende te [woonplaats],
[appellante 2],
wonende te [woonplaats],
[appellant],
wonende te [woonplaats],
[appellante 3],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen zijn broers en zussen die gezamenlijk erfgenamen zijn van hun vader en moeder. De vader had bij testament een ouderlijke boedelverdeling opgenomen, waarbij de moeder de baten ontving onder de verplichting om de kinderen een bedrag wegens overbedeling uit te keren, met rente van 4% per jaar. De moeder heeft tijdens haar leven deels voldaan door aankoop van een appartement, waarbij één erfgenaam niet heeft geparticipeerd en geen uitkering ontving.
Na het overlijden van de moeder heeft deze erfgenaam de nalatenschap beneficiair aanvaard en een vordering ingesteld op de mede-erfgenamen wegens zijn aandeel in de nalatenschap van vader. De overige erfgenamen verzetten zich met meerdere grieven, waaronder verjaring, afstand van recht en rechtsverwerking.
Het hof oordeelt dat de vordering niet verjaard is omdat deze pas opeisbaar werd na het overlijden van moeder. Er is geen bewijs dat de erfgenaam zijn aandeel heeft verworpen of afstand heeft gedaan conform wettelijke vereisten. De vordering wordt erkend, maar de aansprakelijkheid van de mede-erfgenamen is beperkt tot de toereikendheid van de nalatenschap van moeder, die ontoereikend is om alle vorderingen volledig te voldoen.
Daarom moet de nalatenschap van moeder naar evenredigheid worden verdeeld zodat alle erfgenamen per saldo een gelijk bedrag ontvangen. Het hof gelast een comparitie om nadere informatie te verkrijgen en een minnelijke regeling te bevorderen. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing.
Uitkomst: De vordering van de erfgenaam wordt erkend maar de nalatenschap wordt naar evenredigheid verdeeld; comparitie wordt gelast voor nadere afwikkeling.