Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5 Het verloop van de procedure
6.De gronden van het hoger beroep
7.De beoordeling
De OR adviseert dan ook om uitvoering te geven aan het voorgenomen besluit.”
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De appellant was sinds 1 juni 2000 als inkoper in dienst bij Depron B.V. Op 29 april 2009 ontving hij een ontslagbrief met inachtneming van een opzegtermijn van vier maanden, gebaseerd op bedrijfseconomische redenen waarvoor het UWV toestemming had verleend. De appellant vorderde vernietiging van het ontslag wegens kennelijk onredelijkheid, herstel in de dienstbetrekking, doorbetaling van salaris en subsidiair een schadeloosstelling.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag pas per 30 september 2009 inging en kende één maandsalaris toe, maar wees de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag af. Het hof stelde vast dat de taken van de appellant deels waren overgenomen door anderen en dat de opzegging geen valse of voorgewende reden had. Wel oordeelde het hof dat Depron tekort was geschoten door geen voorzieningen te treffen zoals outplacement, ondanks dat de financiële situatie ruimte bood voor een dergelijke regeling.
Het hof verklaarde het ontslag kennelijk onredelijk wegens schending van het gevolgencriterium en kende een schadevergoeding toe van €15.200 bruto, gelijk aan een derde van het inkomensverlies gedurende de WW-periode. Het vonnis van 5 oktober 2010 werd vernietigd behalve de veroordeling tot betaling van één maandsalaris. De proceskosten werden aan Depron opgelegd.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het ontslag kennelijk onredelijk en veroordeelt Depron tot betaling van €15.200 bruto schadevergoeding.