Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[klager],
- [bank],
- [notaris],
- [deurwaarderskantoor],
- [taxatiebureau],
- [advocatenkantoor],
- [makelaar],
- [gerechtsdeurwaarder],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Klager deed op 3 april 2013 en 25 oktober 2013 aangifte van oplichting, diefstal en andere strafbare feiten tegen diverse partijen betrokken bij de executoriale verkoop van zijn woning. De officier van justitie besloot tot niet vervolging omdat de civielrechtelijke weg meer aangewezen was.
Klager diende vervolgens een klaagschrift in bij het hof met het verzoek tot vervolging. Tijdens de raadkamerzitting werd door de gemachtigde van klager betoogd dat de bank zich schuldig zou maken aan oplichting door het creëren van geld dat niet daadwerkelijk aanwezig is. Het hof oordeelde dat deze toelichting niet relevant was voor de klacht.
Het hof constateerde dat de aangiften en bijlagen geen concrete aanwijzingen bevatten van strafbare feiten. De klacht ex artikel 12 Sv Pro vereist dat er sprake is van een strafbaar feit dat niet wordt vervolgd. Omdat dit ontbrak, werd klager niet-ontvankelijk verklaard en het beklag afgewezen.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht wegens ontbreken van een strafbaar feit.