ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9452
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- C.M. Aarts
- M.J.H.A. Venner-Lijten
- W.A. van Veen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake kennelijk onredelijke opzegging arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen
De zaak betreft het hoger beroep van een werknemer tegen zijn ontslag door Hoffinass, een zelfstandig verzekeringskantoor, wegens bedrijfseconomische redenen. De werknemer was sinds 2000 in dienst en werd in 2010 ontslagen na toestemming van het UWV. Hoffinass stelde dat de omzet sterk was teruggelopen, wat een herstructurering noodzakelijk maakte. De werknemer betoogde dat de reden vals was en dat hij onvoldoende werd gecompenseerd.
Het hof oordeelde dat de bedrijfseconomische reden voor het ontslag niet vals of voorgewend was, gelet op de dalende provisie en negatieve resultaten. Het hof stelde vast dat de onderneming haar bedrijfsvoering mocht reorganiseren en dat het ontslag in de risicosfeer van de werkgever lag. Wel werd erkend dat de werknemer door zijn leeftijd, eenzijdige arbeidsverleden en beperkte scholing een slechte positie op de arbeidsmarkt had, waardoor de gevolgen van het ontslag zwaar wogen.
Hoewel Hoffinass de werknemer vrijstelde van werk en loon doorbetaalde tot het einde van het dienstverband, vond het hof dat dit onvoldoende was als financiële voorziening. Het hof legde een billijke vergoeding van € 20.000 bruto vast, gebaseerd op een gedeeltelijke aanvulling van de WW-uitkering over een periode van 32 maanden. De stelling van Hoffinass dat betaling van deze vergoeding tot faillissement zou leiden, werd niet aannemelijk gemaakt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde partijen in de proceskosten.
Uitkomst: De opzegging is niet vals, maar kennelijk onredelijk wegens onvoldoende vergoeding; Hoffinass moet een billijke vergoeding van € 20.000 bruto betalen.