ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8601
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- I.B.N. Keizer
- C.D.M. Lamers
- J.H.H. Theuws
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot herroeping arrest wegens termijnoverschrijding
Appellanten vorderden herroeping van het arrest van 20 oktober 2009, stellende dat HOG bedrog had gepleegd door onjuiste informatie te verstrekken over het feitelijk kantooradres ten tijde van de betekening van een verstekvonnis. Zij baseerden hun vordering op artikel 382 sub a Rv Pro en stelden dat het verzet tegen het verstekvonnis te laat was ingesteld.
Het hof stelde vast dat de vordering tot herroeping binnen drie maanden na het bekend worden van de grond voor herroeping moet worden ingesteld, conform artikel 383 lid 1 Rv Pro. Het arrest waartegen herroeping werd gevraagd, was op 20 januari 2010 in kracht van gewijsde gegaan. Appellanten hadden hun dagvaarding tot herroeping pas op 2 juli 2010 betekend, ruim na de termijn.
Hoewel appellanten stelden pas na het vonnis van 6 april 2010 kennis te hebben genomen van de veilingaktes met het kantooradres van HOG, achtte het hof dit niet aannemelijk. HOG had gemotiveerd gesteld dat appellanten al in maart 2010 over deze stukken beschikten, hetgeen niet was betwist. Het hof concludeerde dat appellanten de vordering te laat hadden ingesteld en daarom niet-ontvankelijk moesten worden verklaard.
Daarnaast overwoog het hof dat zelfs indien de vordering tijdig was ingesteld, de gestelde grond voor herroeping geen invloed had op de ontvankelijkheid van het verzet en het arrest van 20 oktober 2009. De vordering tot herroeping zou derhalve niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
Het hof veroordeelde appellanten in de kosten van het herroepingsgeding en wees de vordering tot herroeping af wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot herroeping wegens termijnoverschrijding.