ECLI:NL:GHSHE:2013:6672

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 december 2013
Publicatiedatum
17 januari 2014
Zaaknummer
K13/0109
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 350 SrArt. 11 Monumentenwet 1988
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot vervolging wegens vernieling rijksmonument en overtreding Monumentenwet

Op 19 februari 2009 deed de gemeente 's-Hertogenbosch aangifte van vernieling van een rijksmonument door beklaagde, die een achterpui en zijmuur van het pand heeft gesloopt en een keldertoegang wijzigde zonder vergunning. De officier van justitie besloot aanvankelijk niet tot vervolging over te gaan vanwege bestuursrechtelijke afdoening en het geringe belang van strafrechtelijk ingrijpen.

De gemeente maakte bezwaar en diende een klaagschrift in bij het hof met het verzoek tot vervolging. Na behandeling in raadkamer en oproeping van beklaagde, die niet verscheen, wijzigde de advocaat-generaal zijn advies en raadde het hof aan het beklag toe te wijzen.

Het hof oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn voor vernieling en overtreding van de Monumentenwet, dat de ernst en omvang van de feiten vervolging rechtvaardigen en dat de vervolging van beklaagde moet worden bevolen. Het beklag wordt gegrond verklaard en de vervolging bevolen.

Uitkomst: Het hof verklaart het beklag gegrond en beveelt de vervolging van beklaagde wegens vernieling van een rijksmonument en overtreding van de Monumentenwet 1988.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht
Klachtnummer: K13/0109
Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 december 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

Gemeente 's-Hertogenbosch,

hierna te noemen: klaagster,
te dezer zake vertegenwoordigd door haar medewerkers [gemachtigde], juridisch medewerker en [gemachtigde 2], buiteninspecteur,
bijgestaan door mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch,
over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:

[beklaagde],

wonende te Vught,
hierna te noemen: beklaagde,
wegens vernieling van een rijksmonument en/of overtreding van de Monumentenwet 1988.

De feitelijke gang van zaken.

Op 19 februari 2009 heeft klaagster, bij monde van bovengenoemde [gemachtigde 2], aangifte gedaan van vernieling van een rijksmonument, beweerdelijk gepleegd door beklaagde.
Bij schrijven van 2 april 2012 heeft een aan de regiopolitie Brabant-Noord, district Meijerij verbonden hulpofficier van justitie aan klaagster bericht, dat besloten is om niet tot vervolging over te gaan omdat de zaak inmiddels bestuursrechtelijk is afgedaan. Na een daarop door klaagster ingediend bezwaar, heeft de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch bij schrijven van 18 september 2012 aan klaagster bericht dat geen strafvervolging zal worden ingesteld, omdat het belang van strafrechtelijk ingrijpen te gering is geworden in verband met de tijd die inmiddels is verstreken na het plegen van het feit en gelet op de mogelijkheid om bestuurlijk in te grijpen.
Hierop heeft klaagster bij schrijven van 19 februari 2013 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 1 maart 2013, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 3 juni 2013 het hof geraden het beklag af te wijzen.
Op 23 juli 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld. Klaagster is daarbij verschenen bij bovengenoemde vertegenwoordigers, bijgestaan door bovengenoemde advocaat.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij het schriftelijk verslag.
Bij tussenbeschikking van 7 augustus 2013 heeft het hof bepaald dat beklaagde ingevolge artikel 12 e van het Wetboek van Strafvordering zal worden opgeroepen teneinde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dit berust.
Beklaagde is daartoe, hoewel behoorlijk opgeroepen, op 18 november 2013 niet in raadkamer verschenen.
De advocaat-generaal heeft bij die gelegenheid, in afwijking van het eerdere schriftelijk verslag, het hof geraden het beklag toe te wijzen.

De beoordeling.

Klaagster stelt dat beklaagde, in afwijking van verleende vergunningen, van het als rijksmonument te boek staande pand [adres] te ’s-Hertogenbosch een achterpui heeft gesloopt en een keldertoegang heeft gewijzigd, waarbij tevens een zijmuur gedeeltelijk werd gesloopt. Klaagster stelt dat door uitvoering van die werkzaamheden onherstelbare schade is toegebracht aan de bouwhistorische en archeologische waarden van genoemd pand.
Klaagster stelt dat beklaagde een professionele speler op de vastgoedmarkt is en doelbewust de regels heeft overtreden. Voorts stelt klaagster dat beklaagde uit is op geldelijk gewin en dat hij bestuursrechtelijke sancties incalculeert als bedrijfsrisico.
In de visie van klaagster is er sprake van vernieling als bedoeld in artikel 350 van Pro het wetboek van strafrecht en/of van overtreding van artikel 11 van Pro de Monumentenwet 1988.
Het hof acht, gelet op de ernst en omvang van de beweerdelijk gepleegde strafbare feiten en de zich in het dossier bevindende aanwijzingen, termen aanwezig om het beklag gegrond te verklaren en - voor zover nog niet verjaard - de vervolging van beklaagde te bevelen, ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft.

De beslissing.

Het hof verklaart het beklag gegrond en beveelt de vervolging van beklaagde terzake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft.
Aldus gegeven door
mr. J.W. de Ruijter, voorzitter,
mrs. A.B.A.P.M. Ficq en F. van Beuge, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.E.J. Timmermans , griffier,
op 16 december 2013.
mr. F. van Beuge is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.