Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/264245/KG ZA 13-384)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
- in de periode van januari 2011 tot en met februari 2013 in totaal € 193.000,-- overgemaakt naar de derdengeldrekening van de advocaat van de vrouw;
- ten gunste van de vrouw hypotheekrechten gevestigd ter grootte van € 330.000,-- op vier van de onroerende zaken waarop het executoriaal beslag was gelegd;
- aan de vrouw een pandrecht verstrekt op zijn personenauto, merk Bentley.
De besloten vennootschap [Holding B.V. geïntimeerde] te [woonplaats 1] (…) en wel op alle gelden en/of geldswaarden van verweerder die zij onder zich heeft of zal krijgen waaronder alle tegoeden onder haar lopende rekening bij de ING Bank te [woonplaats 1] onder banknummer [rekeningnummer 1]
De stichting Stichting Administratiekantoor [geïntimeerde] (…) en wel op alle aandelen die de Stichting onder zich heeft of zal krijgen op naam van begunstigde [geïntimeerde].”
- dat de enkele omstandigheid dat de beslaglegger zijn vordering nog niet aannemelijk heeft kunnen maken, niet noodzakelijk tot opheffing van het ter verzekering van die vordering gelegde conservatoire beslag behoeft te leiden (HR 20 maart 1959, NJ 1959, 246);
- dat bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag de wederzijdse belangen van partijen dienen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken (HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481).