Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 91975/HA ZA 09-144)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
‘(..) De transacties van 19-11-2001 (16141,- euro) waren niet accoord. ABN-amro zal deze terugdraaien maar vraagt hiervoor van [appellant] enig geduld, waarmee hij instemt, onder de voorwaarde dat debetrente niet wordt berekend.(..)”) weliswaar een aanwijzing voor het bestaan van de door [appellant] gestelde afspraak dat de optietransacties zouden worden teruggedraaid. Echter, in de brieven van Abn Amro van 4 maart 2003 en 8 april 2003 (respectievelijk prod. 6 en prod. 8 van prod. 3 cva in conv tevens cve in reconv) wordt geen melding gemaakt van een dergelijke afspraak, terwijl in deze brieven wél wordt vermeld dat [appellant] van Abn Amro een vergoeding zal ontvangen voor het koersverschil en de rente. [appellant] heeft derhalve onvoldoende aangevoerd om zijn stelling te kunnen dragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wanneer hij aan de beslissing van de Beroepscommissie wordt gehouden, dat geen afspraak ter zake het terugdraaien van de optietransacties is komen vast te staan.
4.Beoordeling van het principaal beroep
“In afwachting van de schriftelijke bevestiging van hetgeen mondeling is toegezegd, kan de dekking nog steeds als voldoende worden geacht.”.Gesteld noch gebleken is dat deze (gestelde) communicatie tussen [appellant] en Abn Amro heeft plaatsgevonden vóórdat Abn Amro op 3 maart 2003 de door [appellant] ingenomen putoptie ING had gesloten.