Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.HOS B.V. in liquidatie,gevestigd te [vestigingsplaats],
[Appellante 2.],wonende te [woonplaats],
[Appellant 3.],wonende te [woonplaats],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 807542/141 rolnr.1215/12)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
De heer en mevrouw [appellanten] hebben zich persoonlijk garant gesteld voor betaling van deze facturen middels ondertekening van een daarop gerichte brief van mr. [maatschap] van 6 september 2011.
- € 86.192,00 op grond van reeds betaalde bedragen;
- € 1.496,92 op grond van beslagkosten;
- € 2.759,89 op grond van proceskosten van de wederpartij in eerste aanleg;
- € 2.663,00 op grond van proceskosten van de wederpartij in hogere beroep;
4.1.10. [maatschap] heeft een en ander weersproken. Op hetgeen [maatschap] ter zake heeft aangevoerd zal hieronder, voor zover voor de beoordeling thans van belang, worden ingegaan. [maatschap] heeft zich niet verzet tegen de door haar wel gesignaleerde (zie memorie van antwoord nr. 1.7) vermeerdering van eis in hoger beroep. Het hof ziet ook ambtshalve geen reden om de vermeerderde eis, welke in de lijn ligt van het betoog van HOS BV c.s. in eerste aanleg, niet te behandelen.
1. Omdat HOS B.V. ten tijde van de procedure in eerste aanleg ontbonden was hadden appellanten niet de mogelijkheid om HOS B.V. als procespartij een vordering in reconventie te laten instellen.2. Inmiddels is op verzoek van de heer en mevrouw [appellanten] de vereffening van HOS B.V. heropend zodatnu wel[onderstreping hof]
HOS B.V. de vordering in reconventie kan instellen zoals in onderhavige procedure gedaan wordt. Inproductie 1is een uittreksel van registratie van HOS B.V. van de kamer van Koophandel overgelegd waaruit het bovenstaand blijkt”.
[Appellant 3.] heeft de kamer van Koophandel verzocht om HOS uit te schrijven. Hij had daartoe het advies gekregen van de kamer van Koophandel zelf. Indien er geen baten/lasten meer zijn is het beter om HOS uit te schrijven, aldus de KvK. Dit heeft [Appellant 3.] toen gedaan. Mevrouw [Appellante 2.] heeft als enig aandeelhouder van HOS echter geenformeel besluit tot ontbindingin de algemene vergadering van aandeelhouders genomen.Artikel 2:19 BW Proschrijft voor dat voor ontbinding van een rechtspersoon een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders moet worden genomen. Dit besluit is niet genomen. Artikel2:230 lid 4 BWschrijft voor dat van genomen besluiten van de AVA aantekening dient te worden gemaakt. Er is geen aantekening gemaakt. De kamer van Koophandel beschikt niet over een document waaruit het schriftelijk besluit tot ontbinding blijkt. (…) De kamer had HOS niet zonder een schriftelijk bewijs mogen uitschrijven. Gezien het voorgaande bestrijdt Smits dat HOS is ontbonden en dat de vordering in reconventie om die reden niet is ingesteld door HOS. Deze vordering is wel degelijk ingesteld door HOS.In de Memorie van Grieven wordt uitgegaan van de ontbinding van HOS omdat destijds is aangenomen dat er wel een besluit van algemene vergadering van aandeelhouders was genomen. Nu is gebleken dat dit niet het geval is moet worden uitgegaan van de situatie dat HOS nooit is ontbonden en dat de vordering in reconventie namens HOS is ingesteld (…)”
Gesteld noch gebleken is dat mevrouw [Appellante 2.] als enig aandeelhouder/bestuurder - zoals naar de ervaring leert in statuten van een besloten vennootschap standaard pleegt te worden geregeld - onbevoegd was op dat moment besluiten te nemen als AVA van HOS BV. Voldoende is dat een dergelijk besluit schriftelijk is vastgelegd (vergelijk HR 10 maart 1995, LJN: ZC1657). Dit kan een schriftelijke vastlegging als in artikel 2:230 lid 4 BW Pro bedoeld zijn, maar naar het oordeel van het hof volstaat iedere schriftelijke vastlegging van het door mevrouw [Appellante 2.] aan de Kamer van Koophandel kenbare gemaakte ontbindingsbesluit c.a.. Derhalve valt onder schriftelijk vastleggen ook het middels het formulier als bedoeld in artikel 3 Handelsregisterbesluit 2008 schriftelijk opgave doen van het besluit door de enig aandeelhouder/bestuurder. Ook dat is een schriftelijke vastlegging, al is wellicht hiermee niet voldaan aan artikel 2:230 lid 4 BW Pro.
Schending van de vastleggingsplicht uit laatstgenoemd artikel als zodanig leidt echter niet tot nietigheid van het besluit (zie Kamerstukken II 21959 nr. 3 p. 4 ). Voorts is gesteld noch gebleken dat mevrouw [Appellante 2.] niet bevoegd was dit besluit aan de Kamer van Koophandel middels het gebruikelijke formulier mede te delen als ook terstond mede te delen als bestuurder dat de liquidatie was beëindigd. Kortom HOS BV is op in ieder geval 18 januari 2012 opgehouden te bestaan.
In het midden kan blijven of HOS BV op de voet van artikel 217 e.v. Rv op enig moment, bijvoorbeeld na 28 mei 2013, alsnog had kunnen tussenkomen in de hoger beroepsprocedure nu een incidentele conclusie daartoe door HOS BV niet is ingediend.
zijgeen honorarium ter zake de procedure HOS BV- TOP Relations BV aan [maatschap] , althans mr. [maatschap] hebben betaald.
4.6.2. De onderbouwing is bij pleidooi gegeven en toen is door het Hof voorlopig de vraag opgeworpen of dit niet als een nieuwe grief moest aangemerkt. Nu van de zijde van geïntimeerde vervolgens bezwaar is gemaakt geldt in beginsel, indien daadwerkelijk sprake is van een nieuwe grief, dat daarop geen acht zal worden geslagen (zie HR 22 juni 2007, NJ 2007, 344 LJN: BA3032 en HR 19 juni 2009, NJ 2010, 154, LJN: BI8771) .
Ad verwijt 1:In het kader van de conclusie van antwoord c.a. (productie 3 bij Memorie van Grieven) heeft [maatschap] namens HOS BV onder meer het volgende verwoord:
“TR[zijnde TOP relations, hof]
stelt nu dat zij alle facturen bij dagvaarding integraal kan innen zonder de gemaakte afspraken omtrent de winstdeling na te komen en zonder openheid van zaken te geven omtrent de gegenereerde omzetten, de kostprijs van deze uren, de fiscale voordelen en de re-integratiebudgetten van UWV en gemeenten. Dat is een brug te ver. (…)Uit het vorenstaande vloeit voorts voort dat HOS zich kan en mag beroepen op opschorting jegens TR van mogelijk nog afdwingbare verplichtingen totdat de exacte omvang van de vordering van TR onvoorwaardelijk in rechte is vastgesteld. Zodra betalingsverplichtingen over en weer in rechte zijn vastgesteld kan er tot verrekening en afwikkeling worden overgegaan. Vooralsnog rest HOS niets anders dan de vordering van TR ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk te betwisten”Voorafgaand aan de procedure had [maatschap] reeds namens HOS BV in de brief van 29 juni 2010 (productie u bij Memorie van antwoord) het volgende naar voren gebracht:
“Uw cliënte stelt een vordering te hebben van € 86.192,= te hebben op cliënte. Cliënte is van mening dat zij een vordering op uw cliënte heeft van tenminste € 63.196,= (…)De personen die werken, leveren een opbrengst op waarvan is afgesproken dat deze tussen uw cliënte en cliënte bij helften wordt verdeeld. Tot op heden heeft cliënte niets ontvangen van de winst (...). De door uw cliënte getoucheerde belastingvoordelen dienen eveneens te worden verrekend in de winstafrekening.(…) U begrijpt dat er een tegenvordering bestaat (...). Ik stel voor dat uw cliente mij integraal van de gevraagde stukken voorziet. Daarna lijkt mij een bespreking zinvol om daarmee tot totale afrekening te kunnen komen (...).
het klopt dat de vordering van Top Relations in conventie niet wordt betwist”onbegrijpelijk: de hoogte van de vordering in conventie stond immers blijkens het in de conclusie van antwoord gestelde niet vast.
Op grond van de door [maatschap] onweersproken ontvangen stukken, zoals productie 14 als door de heer en mevrouw [appellanten] overgelegd bij pleidooi, had het [maatschap] zonder meer duidelijk moeten zijn dat sprake was van een verwevenheid en dat respectievelijk - in de visie van HOS BV - de facturen van TOP Relations BV en de aanspraken van HOS BV niet ieder op zichzelf stonden, doch onderdeel vormden van een samenwerking waarbij HOS BV, TOP Relations BV en Leads on Demand BV betrokken waren en waarvan HOS BV een afrekening wenste. Dat zowel TOP Relations BV als Leads on Demand BV een rol had vervuld blijkt uit de door HOS BV als productie 2 bij Memorie van grieven overgelegde stukken, waarvan [maatschap] de ontvangst niet althans onvoldoende heeft weersproken, alsook uit de door TOP Relations BV overgelegde intentieverklaring.
Dat HOS BV geen aanspraak zou kunnen maken op de door haar bij wijze van verweer gestelde afspraken omdat zij haar betalingsverplichtingen jegens TOP Relations BV niet nakwam, zoals [maatschap] heeft betoogd, is onvoldoende onderbouwd. Het standpunt van HOS BV was immers - althans zo had [maatschap] het dienen te begrijpen als juridische professional en het ook blijkens de conclusie van antwoord ook daadwerkelijk heeft begrepen – dat de verplichtingen waarschijnlijk veel lager waren en dat ter zake onduidelijkheid bestond.
Indien [maatschap] bij de voorbereiding van de conclusie van antwoord c.a. op feitelijke onduidelijkheden zou zijn gestoten na het intakegesprek dan had nader overleg met HOS BV in de rede gelegen. Het feit dat [maatschap] stelt dat hij aan de heer de heer en mevrouw [appellanten] heeft gevraagd of de facturen van TOP Relations BV klopten, en dat dezen dat zouden hebben beaamd - hetgeen overigens tijdens pleidooi zijdens de heer en mevrouw [appellanten] is ontkend - leidt er niet toe dat [maatschap], gegeven hetgeen hem door de heer en mevrouw [appellanten] was medegedeeld en gegeven de juridische duiding die van zijn zijde mocht worden verwacht, kon overgaan tot erkenning van de vordering in conventie, althans tot de mededeling dat de vordering in conventie niet (langer) werd betwist.
Ad verwijt 2:Gezien hetgeen hierboven is overwogen is komen vast te staan dat [maatschap] bekend was met de positie van de heer Lunenberg als “
getuige(…) van de afspraken die zijn gemaakt over de winstdeling uit gefactureerde opbrengsten”, nu door [maatschap] productie 14 bij pleidooi (de e-mail van mevrouw de heer en mevrouw [appellanten] van 24 juni 2010) is ontvangen, waarin dit door hen wordt medegedeeld. Samen met het gespreksverslag van 12 februari 2009 - zijnde een concrete datum – (onderdeel productie 2 bij memorie van grieven), waar mevrouw Rademaker aan deelnam en wel namens TOP Relations BV, had in ieder geval een verweer gebaseerd op 50/50 verdeling zodanig aannemelijk kunnen worden gemaakt, dat sprake zou zijn geweest van een voldoende onderbouwd verweer. Anders dan [maatschap] meent hoefde HOS BV haar verweer immers niet te bewijzen. Waarom [maatschap] deze stukken niet heeft benut en de heer [getuige] niet heeft genoemd als getuige is niet duidelijk geworden. Uiteindelijk is het [maatschap] die processtukken opstelt en daar als bekwaam handelend advocaat de verantwoordelijkheid voor draagt. Dat de heer en mevrouw [appellanten] niet hebben gewezen op het ontbreken van de heer [getuige] als getuige in de concept conclusie van antwoord, zoals [maatschap] heeft opgemerkt, doet daar dan ook niet aan af. In het midden kan derhalve blijven of - zoals de heer en mevrouw [appellanten] voor het eerst tijdens pleidooi hebben aangevoerd - in het door de heer en mevrouw [appellanten] ontvangen concept geen namen van getuigen vermeld stonden, omdat die in de aan de heer en mevrouw [appellanten] toegezonden versie wellicht zijn weggevallen bij het inscannen of kopiëren. In de gegeven omstandigheden, mede vanwege het gespreksverslag van 12 februari 2009, had [maatschap] nimmer het noemen van de heer [getuige] als getuige achterwege mogen laten. Ook de gelegenheid van de comparitie van partijen is door [maatschap] niet benut om de heer [getuige] als getuige naar voren te brengen, terwijl blijkens het proces-verbaal (onderdeel productie 4 bij memorie van Grieven) toen wel met [maatschap] over het horen van getuigen is gesproken. Dat ook de heer [Appellant 3.] tijdens de comparitie van partijen in de HOS BV- TOP Relations BV procedure [getuige] niet als getuige heeft genoemd doet hier niet aan af, omdat het de taak van een raadsman is om in processtukken en tijdens zittingen en mondelinge behandelingen te zorgen voor optimale informatieverstrekking omtrent het standpunt van zijn cliënte en alles wat daar feitelijk en juridisch aan bijdraagt.
4.7.4.4.
Ad verwijt 3:Indien [maatschap] niet tekortgeschoten was zoals hierboven besproken, dan zou hij ook een vordering in reconventie achterwege hebben kunnen laten, althans hooguit deze voorwaardelijk hebben hoeven in te stellen. Met het ‘doorknippen’ van de relatie tussen de facturen van TOP Relations BV en de aanspraken van HOS BV; het vervolgens onnodig en onjuist erkennen van de aanspraken van TOP Relations BV en het niet benutten van het gespreksverslag van 12 februari 2009 en het niet naar voren brengen van de heer [getuige] als potentiële getuige, heeft [maatschap] niet alleen onnodig de bewijslast van de door HOS BV gestelde afspraken naar HOS BV toegehaald, maar tevens onvoldoende gesteld om aan die bewijslast te mogen toekomen. Ook hierin is [maatschap] tekortgeschoten.
Derhalve dienen de kosten van het vervolgens vanwege de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2011 noodzakelijk gebleken hoger beroep als door tekortschieten van [maatschap] te zijn veroorzaakt te worden aangemerkt, zodat [maatschap] deze nota’s niet in rekening had mogen brengen aan HOS BV maar kosteloos had dienen te pogen zijn gebleken fouten te herstellen.
5.De uitspraak
binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken proceskostenveroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;