Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte],
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1], hierna te noemen [bedrijf 3], op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2003 tot 01 februari 2005 te Best en/of Eindhoven en/of Heerlen, in ieder geval in Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans [bedrijf 3]
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] en/of
[bedrijf 2], hierna te noemen [bedrijf 3], in of omstreeks de periode van
01 november 2003 tot 01 februari 2007 te Best en/of Eindhoven, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans [bedrijf 3],
A1.1
A1.2
A2.1
A2.2
eerste lidvan het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten het – kort gezegd – plegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken of vervalsen van de administratie van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 3]).
A2.3
tweede lidSr. Gelet daarop heeft het hof in genoemd arrest onderzocht of – gelet op de vervolgingsuitsluitingsgrond zoals deze is verwoord in artikel 69, vierde lid van de AWR – het openbaar ministerie terzake ontvankelijk kan worden geacht in zijn vervolging.
A2.4
eerste lidSr, de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid van de AWR aan de orde kan zijn, berust op een verkeerde lezing van het arrest.
, tweede lidvan het Wetboek van Strafrecht. Het is niet aan de rechter om dit uit te breiden tot een vervolgingsuitsluitingsgrond in geval sprake is van een tenlastelegging die is toegesneden op het eerste lid van artikel 225 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
A3
B1.1
B1.2
daarovergeen zelfstandig oordeel meer vormen.
B2.1
- [bedrijf 3] is op 13 december 2001 opgericht. De aandelen in [bedrijf 3] werden gehouden door [bedrijf 16] voor 48% en [bedrijf 15] voor 52%. Enig aandeelhouder van [bedrijf 16] was verdachte en enig aandeelhouder van
- In de ten laste gelegde periode heeft [bedrijf 3] onder meer auto’s geëxporteerd naar Spanje. Ten aanzien van deze verkopen had verdachte namens [bedrijf 3] contact met medeverdachte [medeverdachte 1] die naar [bedrijf 3] toe telkens optrad namens verschillende afnemers in Spanje. [medeverdachte 1] dreef in Spanje een onderneming onder de naam [bedrijf 14] (hierna: [bedrijf 14]), gevestigd in Alcobendas, Spanje.
- De bestellingen van auto’s bij [bedrijf 3] werden door [medeverdachte 1] in Nederland namens diverse Spaanse ondernemingen gedaan. [medeverdachte 1] overhandigde [bedrijf 3] hiertoe steeds een machtiging van de betreffende Spaanse rechtspersoon waarin [medeverdachte 1] gemachtigd werd om namens deze rechtspersoon auto’s in te kopen. Alle bestellingen werden door [medeverdachte 1] contant betaald. [bedrijf 3] heeft van een deel van deze contant betaalde aankopen melding gedaan in het kader van de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT).
- [bedrijf 3] heeft ter zake van de betreffende leveringen van auto’s via [medeverdachte 1] van de op de facturen als afnemer geadministreerde Spaanse rechtspersonen documenten opgevraagd zoals uitreksels uit de Spaanse Kamer van Koophandel en identiteitsbewijzen van de statutaire bestuurders, zo is aangevoerd door de verdediging.
- De door [bedrijf 3] geleverde auto’s zijn feitelijk naar Spanje vervoerd. Dit vervoer werd verzorgd door [bedrijf 17]. In het dossier bevinden zich de op dit vervoer betrekking hebbende CMR’s. [bedrijf 17] heeft verklaard dat hij de auto’s niet afleverde op het adres van de afnemer dat stond in vak 3 (plaats van levering) maar op het adres van [bedrijf 14] te Alcobendas, Spanje.
- Ter zake van de verkoop van deze naar Spanje uitgevoerde auto’s heeft [bedrijf 3] in de aangiften voor de omzetbelasting over de periode 1 november 2003 tot
- Op 12 mei 2003 is namens de Inspecteur bij [bedrijf 3] een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2003. Het eindrapport van 30 maart 2004 (zie bijlage 6 bij brief d.d. 25 maart 2011 van de raadsman aan de voorzitter van de strafkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch) vermeldt onder meer:
Maandelijks worden de btw-identificatienummers geverifieerd bij de Belastingdienst. De ondernemer kan de aanspraak op het nultarief aantonen aan de hand van:
heer [betrokkene 1] van de Belastingdienst. Naar aanleiding van dit overleg heeft [betrokkene 1] bij brief van 16 februari 2004 (als bijlage opgenomen in ordner 3 van einddossier [bedrijf 3] nr. 35420) aan [bedrijf 3] het volgende geschreven:
- [bedrijf 3] heeft naar aanleiding van vorenstaande afspraak wekelijks de in- en verkoopfacturen naar de Belastingdienst gezonden.
- Bij brief van 26 januari 2004 (als bijlage opgenomen in ordner 3 van einddossier [bedrijf 3] nr. 35420) heeft [bedrijf 18] namens [bedrijf 3] een klacht ingediend inzake het handelen van de belastingdienst met betrekking tot het stopzetten van de teruggaven omzetbelasting. Bij brief van 26 april 2004 (zie produktie 4 bij bezwaarschrift ex artikel 32 Sv Pro d.d. 29 november 2010) heeft de heer [betrokkene 2] van de belastingdienst een schriftelijke reactie gegeven op deze klacht. Deze brief houdt onder meer het volgende in: