Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1.],wonende te [woonplaats],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 826614/221 en rolnummer 12-4258)
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
wordt in zijn geheel bestemd voor “Bedrijf-Waterzuiveringsinstallatie”. Op deze gronden komt het grootste deel van de nieuwe rwzi te liggen, te weten 1,5 ha voor de zuivering en ca. 3 ha voor de waterharmonica. (…) Daarbij wordt het bouwvlak van deze bestemming gesitueerd rond het kerngebied van de rioolwaterzuivering, de eigenlijke zuivering. Buiten dit bouwvlak ligt het bijbehorende terrein, waar de openbaar toegankelijke waterharmonica een plaats zal krijgen.”
na een bestemmingswijziging (door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld bestemmingsplan) kunnen worden benut voor de bouw/uitbreiding van de bestaande waterzuivering”.Bij de uitleg van de woorden “kunnen worden benut” komt het evenzeer aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een redelijke uitleg van die bewoordingen brengt naar het oordeel van het hof, zoals ook door het waterschap bepleit, mee dat sprake moet zijn van een reële mogelijkheid om de buiten het bouwvlak gelegen gronden te benutten voor de bouw/uitbreiding van de eigenlijke chemische waterzuivering, in plaats van een louter theoretische respectievelijk louter formele mogelijkheid.
“Indien binnen tien jaar na heden meer dan één hectare vijftig are van de hierbij verworven percelenna een bestemmingswijziging (door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld bestemmingsplan) kunnen worden benutvoor de bouw/uitbreiding van de bestaande waterzuivering”(onderstreping door hof)
.De partijen zijn het niet eens over de uitleg die in dit geval aan deze voorwaarde gegeven moet worden. Het hof herhaalt ook ten aanzien van deze voorwaarde dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst vastgesteld moet worden aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Aan de tekst van het beding komt daarbij een belangrijke maar niet per definitie doorslaggevende betekenis toe.
kan worden benut voor de bouw/uitbreiding van de bestaande waterzuivering”. In artikel 5.1 van de planvoorschriften is immers expliciet bepaald dat op de strook grond uitsluitend bouwwerken ten dienste van de leiding mogen worden opgericht. Dat van dit verbod ontheffing kan worden verleend doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af. Uit de eigen stellingen van [appellant 1.] en [appellante 2.] volgt dat die ontheffing alleen aan de orde zal kunnen zijn bij bebouwing die geen gevaar vormt voor de olieleiding. Hierin ligt een belangrijke beperking besloten. Op voorhand kan niet worden aangenomen dat elke gevraagde ontheffing verleend zal worden.