Uitspraak
32.Het verdere verloop van de procedure
- de akte na interlocutoir arrest van [appellant] van 16 april 2013 met twee producties;
- de antwoordakte na tussenarrest van de gemeente met vier producties.
33.De verdere beoordeling
restvan het gebouw op een omissie berust. De gemeente heeft dit voorlopig oordeel onderschreven en [appellant] heeft tegen het oordeel op zichzelf geen bezwaar gemaakt, maar bepleit – als het hof het goed begrijpt - dat het hof terugkomt op zijn oordeel dat de schade door huurderving van
anderehuurders niet toewijsbaar is. Dat zal het hof echter niet doen. Al in het tussenarrest van 9 november 2010 (r.o. 14.3) heeft het hof geoordeeld dat de door [appellant] genoemde huurovereenkomsten niet realistisch waren en dat van nog weer andere potentiële huurders nooit sprake is geweest. Het is nu niet meer het moment om deze stelling alsnog in te nemen; dat komt in strijd met de goede procesorde.
gemaakte kosten–waarvan 50% door de gemeente moet worden vergoed
-als schadevergoeding zal worden toegewezen, met dien verstande dat over de werkzaamheden van de architect nog een deskundigenrapport zal worden uitgebracht.
huurderving TWM– waarvan 50% door de gemeente moet worden vergoed – dient te worden berekend op grond van de volgende uitgangspunten:
huurderving overige huurdersis afgewezen (r.o. 14.3, tussenarrest 9 november 2010).
vermogenschadeoverweegt het hof als volgt.
De helft van de vermogensschade dient door de gemeente te worden vergoed. De schade bestaat uit het verschil tussen de aanschafprijs van de grond en de geraamde bouwkosten groot € 5.445.363,--.enerzijds en de fictieve waarde van de gebouwde zaak anderzijds.
Zoals hiervoor in het kader van de huurderving aangegeven dient uitgegaan te worden van een huurperiode van 10 jaar, dus tot 1 juni 2014. Dat laat onverlet dat de schade berekend dient te worden per 1 juni 2004 en dat ook de fictieve waarde op dat moment tot uitgangspunt genomen dient te worden. Dat is ook mogelijk, aangezien - waar het gaat om bedrijfsmatig te verhuren goed - niet de fictieve waarde op het moment van de voorziene verkoop (na 10 jaar, dus per 1 juni 2014) waarin alle marktomstandigheden van dàt moment zijn verdisconteerd doorslaggevend is, doch de waarde welke met behulp van diverse systematieken op basis van de jaarhuur kan worden vastgesteld. Dat kan hetzij door de jaarhuur te kapitaliseren door deze met een bepaalde factor te vermenigvuldigen, ofwel deze te berekenen met gebruikmaking van een meer geavanceerde rekenmethode, zoals de DCF-methode.
Vervolgens dient op basis daarvan de executiewaarde te worden vast gesteld. Schreurs ging uit van 85 % en de commentaren van de andere door partijen ingeschakelde deskundigen geven het hof geen aanleiding daarvan af te wijken.
Voor zover in de door de deskundige op te stellen berekening het aspect van de financiering van belang is, dient de deskundige ervan uit te gaan dat [appellant] de bouw zou hebben gefinancierd met bancair krediet tot 70 % van de executiewaarde en voor het overige met risicodragend eigen vermogen.
J.H.J. Spiekker, kantoor [accountskantoor] , accountant te [vestigingsplaats] , benoemen ter beantwoording van de volgende vragen. De vragen zijn ten opzichte van de genoemde rechtsoverweging enigszins aangepast aan het feit dat uiteindelijk een andere deskundige is benoemd voor de vragen naar redelijke huurprijzen en huurvoorwaarden, en dat het hof diens rapport niet onverkort heeft overgenomen.
34.De uitspraak
en ten aanzien van de conceptrapportage– partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
drie maandennadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
bij brief aan de griffier van dit hofmet afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij)tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
binnen 2 weken na hedenzal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD103.002.464/01;
en ten aanzien van de conceptrapportage– partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van
drie maandennadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
bij brief aan de griffier van dit hofmet afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij)tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
binnen 2 weken na hedenzal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD103.002.464/01;