Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 209835 HA ZA 10-858)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
‘gezien het feit dat de aandeelhoudersvergadering plaatsvond op 23 maart 2004.’ Ook indien Effect Beheer dit destijds coulancehalve heeft bedoeld, blijkt dit uit de mededeling niet. Het doet aldus af aan de stelling dat [Raamfabriek] uit de brieven van Effect Beheer zonder meer heeft moeten begrijpen dat het ontstaan van de betalingsverplichting niet van een vaststelling van de cijfers door de aandeelhoudersvergadering afhankelijk was. Immers, in de genoemde zinsnede wordt een verband gelegd tussen het betaalmoment en de datum van de aandeelhoudersvergadering.
en vervolgens voldeed aan haar betalingsverplichtingen’. Effect Beheer heeft de wijziging van haar standpunt waar het deze volgorde betreft in hoger beroep in het geheel niet toegelicht.
- a) dat Vlieghe geen marktconforme prijzen heeft gehanteerd bij haar aanbiedingen aan Pega (4.8.2);
- b) dat Vlieghe Vlitrad niet ervan heeft weerhouden om zich in het marktsegment van Pega te bevinden en niet heeft bewerkstelligd dat Vlitrad is gestopt met [Raamfabriek] handel in houten gevelelementen (4.8.31 en 4.8.3.2);
- c) dat Vlieghe[Raamfabriek](zelf of middels Vlitrad) klanten van Pega heeft benaderd (4.8.3.3);
- d) dat Vlieghe niet heeft voldaan aan de verplichting om haar automatiseringssysteem ter beschikking te stellen (4.8.5);
- e) dat Vlieghe niet heeft[Raamfabriek]voldaan aan haar verplichting om vertegenwoordigers van voldoende informatie te voorzien (4.8.6).
Voorts zal koper zijn vertegenwoordigers zo goed mogelijk en in overleg met de vennootschap voorzien van[Raamfabriek]goede productinformatie van de vennootschap ter verhoging van de omzet van de vennootschap.’