De werknemer was ruim 19 jaar in dienst bij de werkgever, een klein keukenbedrijf dat haar activiteiten beëindigde vanwege bedrijfseconomische redenen. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd met toestemming van het UWV. De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege zijn leeftijd, beperkte kansen op de arbeidsmarkt, en het ontbreken van een vergoeding.
De kantonrechter wees de vorderingen af omdat het belang van de werkgever bij beëindiging zwaarder woog dan de gevolgen voor de werknemer. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de bedrijfseconomische omstandigheden, waaronder negatieve resultaten en concurrentie, een redelijke grond voor beëindiging vormden.
Verder stelde het hof dat de financiële situatie van de werkgever onvoldoende ruimte bood voor een vergoeding en dat persoonlijke belangen van aandeelhouders niet relevant zijn. Ook het ontbreken van concrete herplaatsingsinspanningen woog niet zwaar, gezien de geringe kansen op de arbeidsmarkt en de kleine omvang van het bedrijf.
Het hof concludeerde dat de omstandigheden van de werknemer geen bijzondere gronden vormden om het ontslag als kennelijk onredelijk te bestempelen. Het vonnis van de kantonrechter werd dan ook bekrachtigd en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.