Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer /rolnummer: 102955/HA ZA 10-602)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens wijziging/aanvulling van eis, met zes producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven en eis in het incidenteel appel, met producties, genummerd productie 6 t/m 25;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
De zaken, welke thans aan ieder der partijen in privé toebehoren en privé-eigendom blijven, zijn vermeld op een aan de akte te hechten, door comparanten ondertekende, lijst.”
- veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 150.000,- aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande 1 mei 2008 tot de dag der algehele voldoening;
- met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
- veroordeling van de man tot het opmaken van een staat van de roerende zaken die hij uit de woning heeft meegenomen, waaronder in ieder geval het in de conclusie eerder omschreven beamersysteem, en de verdeling vast te stellen van dit beamersysteem inclusief toebehoren, alsmede van de overige gemeenschappelijke roerende zaken alsook van de in de dagvaarding genoemde zaken, voor zover roerend, in die zin dat ieder der partijen de helft van de waarde daarvan ten tijde van het beëindigen van de samenleving, derhalve 1 juni 2009, dient te worden toebedeeld, al dan niet met een vordering wegens overbedeling jegens de ander;
- veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 46.679,92, te vermeerderen met de voor gemeenschappelijke rekening komende lasten die na 14 juli 2010 door de vrouw zijn betaald, waaronder de hypothecaire lasten en de facturen verband houdende met een mogelijke bestemmingswijziging en ontwikkeling ten aanzien van het bosperceel;
- bepaald dat de gemeenschappelijke woning met tuin in één geheel (staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie 1] nr. [nummer 1] , groot 1170 m2), inclusief het biljart, de haard, de AGA Cooker, de vaatwasser en de hoekkoelkast, zo spoedig mogelijk openbaar verkocht dient te worden en bepaald dat de netto-opbrengst dan wel de netto-restschuld, na aftrek van de op de woning en het perceel betrekking hebbende hypothecaire lening(en), tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;
- het bosperceel (gelegen aan de [weg] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , Sectie [sectie 2] , nr. [nummer 2] , groot 9.910m2), bestemming bos, toebedeeld aan de vrouw, tegen voldoening door de vrouw aan de man van een bedrag van € 47.500,00 en onder gehoudenheid van de man om zijn eigendomsdeel aan de vrouw over te dragen;
- het beamersysteem toebedeeld aan de man onder gehoudenheid om aan de vrouw een bedrag van € 8.000,00 te voldoen;
- bepaald dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 10.240,86 ter zake van de hypothecaire rente over de periode juli 2009 t/m juli 2010, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 28 juli 2010 tot de dag van volledige betaling;
- bepaald dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 9.368,04 ter zake van de hypothecaire rente over de periode 1 juli 2008 tot 1 juli 2009, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 28 juli 2010 tot de dag van volledige betaling;
- bepaald dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 760,67 per maand ter zake van de hypothecaire rente, met ingang van 1 augustus 2010 tot aan de datum van levering van de gemeenschappelijke woning, telkens vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag na veertien dagen nadat de betreffende maand verstreken is, tot aan de dag van volledige betaling;
- bepaald dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 5.666,32 ter zake van onderzoek woonbestemming, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 28 juli 2010 tot de dag van volledige betaling;
- a) de samenwoning niet per 1 juni 2008, maar per 1 december 2008 tussen partijen als beëindigd te doen beschouwen;
- b) het perceel met woonhuis, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] (kadastrale gegevens: gemeente [gemeente] , Sectie [sectie 1] , nr. [nummer 1] , groot 1170 m2) waarvan de vrouw en de man beiden voor de helft mede-eigenaar zijn, zo spoedig mogelijk te verdelen door een openbare verkoop van het voormelde perceel en door verdeling van de netto-opbrengst ervan, na aftrek van de op dit perceel betrekking hebbende hypothecaire lening(en), een en ander als bedoeld in art. 3:185 lid Pro 2, onder c BW;
- c) Het bosperceel, gelegen aan de [weg] te [plaats] , groot circa 1 ha, bestemming bos
- d) De man te veroordelen tot het opmaken van een staat van de roerende zaken die hij uit de woning heeft meegenomen, waaronder in ieder geval het eerder omschreven beamersysteem, en de verdeling vast te stellen van dit beamersysteem, inclusief toebehoren, alsmede van de overige gemeenschappelijke roerende zaken alsook van de in de dagvaarding genoemde zaken, voor zover roerend, in die zin dat aan ieder der partijen de helft van de waarde daarvan ten tijde van het beëindigen van de samenleving, derhalve 1 juni 2009, dient te worden toebedeeld, al dan niet met een vordering wegens overbedeling jegens de ander, onder vermelding dat de vrouw destijds afstand hiervan heeft gedaan onder de overeenkomst welke destijds met de man hierover was gesloten en waarop de man thans terugkomt, zodat ook de vrouw daaraan niet langer gebonden kan zijn;
- e) de man in het bijzonder te veroordelen tot het opmaken van een staat van alle door hem uit de woning meegenomen kunstvoorwerpen, waaronder de schilderijen en de beelden zoals door de vrouw vermeld, welke in ieder geval in 2006 volgens de opgave van de man zelf aanwezig waren, en aan te tonen welke schilderijen en beelden hij reeds in 2002 in de samenleving als zijn privé-eigendommen heeft ingebracht, welke schilderijen en beelden hij in de loop van de samenleving heeft verkregen, mede namens de vrouw, waarbij de vrouw zich beroept op het bepaalde in art. 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst, waaruit volgt dat alle schilderijen en beelden geacht moeten worden gemeenschappelijk te zijn, zolang de man niet aantoont dat de door hem meegenomen schilderijen en beelden reeds in 2002 door hem zijn ingebracht onder de voorwaarden zoals omschreven in de samenlevingsovereenkomst en dus niet tijdens de samenleving zijn verkregen;
- f) de man te veroordelen tot afgifte van alle schilderijen en kunstwerken ten aanzien waarvan hij het vermoeden van art. 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst niet heeft kunnen ontkrachten, en in ieder geval van de schilderijen en beelden die hij tijdens de samenleving heeft gekocht of verkregen, al dan niet in de plaats van courtage, en met afgifte aan de vrouw van de vaas die zij uit de nalatenschap van haar vader heeft verkregen en die onrechtmatig door de man is meegenomen of, indien en voor zover de man niet meer over deze kunstwerken beschikt, de waarde daarvan door een externe deskundige te laten vaststellen, met toekenning bij de verdeling van de helft van die waarde aan de vrouw;
- g) de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 39.697,92, te vermeerderen met de voor gemeenschappelijke rekening komende lasten die na 14 juli 2010 als enige door de vrouw zijn betaald, waaronder de hypothecaire lasten en de facturen verband houdende met een mogelijke bestemmingswijziging en ontwikkeling ten aanzien van het tuingedeelte vaan de [adres] te [plaats] en de kosten die de vrouw na het vertrek uit haar privévermogen ten behoeve van de gemeenschappelijke woning of van de man heeft betaald, ter grootte van tenminste de helft van € 6.188,59 alles onder aftrek van een redelijke door het gerechtshof te bepalen gebruiksvergoeding welke niet meer bedraagt dan € 780,76 per maand vanaf de dag van het verbreken van de samenleving welke niet eerder ligt dan 1 december 2008, onder handhaving van hetgeen de rechtbank Roermond overigens heeft bepaald.
- h) met de aanvulling dat de voorgaande vorderingen van de vrouw jegens de man dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente verschuldigd vanaf het ogenblik dat de man is tekortgeschoten in de nakoming van de betreffende verplichtingen, en in ieder geval vanaf 14 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;
- i) en met het verzoek te gelasten dat gemeenschappelijke schulden en schulden waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn als eerste zoveel mogelijk uit het gemeenschappelijk vermogen van partijen zullen worden voldaan, en voor zover dat niet mogelijk zal zijn, met veroordeling van de man tot betaling van het deel waarvoor hij in zijn interne verhouding tot de vrouw aansprakelijk is, rechtstreeks aan de schuldeiser dan wel, indien de vrouw deze betalingen verricht aan de vrouw;
a) de gemeenschappelijke woning.
grief Ibetoogt de man dat de rechtbank ten onrechte geen bodemprijs heeft aangehouden bij het bepalen van de openbare verkoop van de woning. De man stelt – kort gezegd – dat niet van hem verwacht mag worden dat hij zijn medewerking verleent aan verkoop van het huis beneden een bedrag van € 781.000,- omdat hij dan met een restschuld blijft zitten. Ook de hypotheekhouder zal niet instemmen met een verkoop tegen een lager bedrag dan de hypotheekschuld aldus de man. De man wijzigt zijn eis in zoverre dat de bodemprijs voor het woonhuis met ondergrond wordt verminderd tot € 681.000,- en voor het af te scheiden grondstuk tot € 100.000,-, respectievelijk voor het totaal tot € 781.000,-.