ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6861

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.115.787
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging uithuisplaatsing 1-jarig kind na verbetering woonsituatie moeder

De zaak betreft het hoger beroep van een moeder tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van haar 1-jarige zoon. De stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant had de uithuisplaatsing verlengd tot 8 augustus 2013, omdat de moeder haar leven nog niet volledig op orde had gekregen. De moeder woont sinds begin 2012 in een daklozenopvang en staat op de wachtlijst voor begeleid wonen, met een woningverwachting begin 2013.

Tijdens de zitting bleek dat de moeder goed meewerkt met hulpverlening, een intensieve band met haar zoon onderhoudt en een sociaal netwerk opbouwt. De stichting erkent dat de moeder zich begeleidbaar opstelt, maar stelt dat het perspectief voor het kind niet langer bij haar ligt vanwege zijn behoefte aan structuur.

Het hof oordeelt dat ondanks het niet volledig voldoen aan de gestelde termijn, terugplaatsing nog mogelijk is gezien de omstandigheden, de goede hechting tussen moeder en kind, en de aanstaande woning en begeleid wonen. De uithuisplaatsing wordt daarom met ingang van 1 maart 2013 beëindigd en het kind kan dan weer thuis opgroeien. De stichting wordt verzocht intensieve thuisbegeleiding te organiseren. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor het gedeelte na 1 maart 2013 en bekrachtigd voor de periode daarvoor.

Uitkomst: De uithuisplaatsing van het kind wordt beëindigd per 1 maart 2013 en terugplaatsing naar de moeder wordt mogelijk geacht na het verkrijgen van een woning en begeleid wonen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak : 19 december 2012
Zaaknummer : HV 200.115.787/01
Zaaknummer eerste aanleg : 249174 / JE RK 12-1095MP12
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.G.J. de Vries,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,
gevestigd te Eindhoven,
verweerster,
hierna te noemen: de stichting.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 augustus 2012 betreffende ‘verlenging machtiging tot plaatsing’.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 oktober 2012, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de termijn van de uithuisplaatsing van de hierna te noemen [zoon 1.] te beperken tot drie dan wel zes maanden, dan wel tot de datum dat de moeder nieuwe woonruimte wordt aangeboden.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw G. Vissers.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de raad d.d. 31 oktober 2012 met als bijlage het rapport van 15 juli 2011;
- de faxberichten van de advocaat van de moeder d.dis 12 november 2012 en 13 november 2012 (zonder bijlagen);
- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder van 15 november 2012;
- de brief van de raad d.d 23 november 2012;
- de producties, behorende bij het verweerschrift van de stichting.
2.4. Het verweerschrift van de stichting is twee dagen na de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn ingekomen en is geretourneerd aan de stichting.
3. De beoordeling
3.1. Uit de moeder is geboren:
- [Y.] (hierna: [zoon 1.]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats].
De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over [zoon 1.].
Volledigheidshalve merkt het hof op dat uit de moeder eveneens zijn geboren:
- [Z.], op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats]. Zij verblijft in een leefgroep/behandelgroep van De Combinatie;
- [A.], op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats]. Hij verblijft bij familie in [verblijfplaats].
[dochter] en [zoon 2.] staan onder toezicht van de stichting.
3.2. [zoon 1.] staat sinds 8 augustus 2011 onder toezicht van de stichting, welke ondertoezichtstelling laatstelijk is verlengd tot 8 augustus 2013.
In februari 2012 is [zoon 1.] uithuisgeplaatst in een crisispleeggezin en sinds 26 maart 2012 verblijft hij in een verblijf pleegouder 24-uurs.
3.3. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [zoon 1.] met ingang van 8 augustus 2012 tot uiterlijk 8 augustus 2013 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.
3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de termijn van de uithuisplaatsing betreft, en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert de moeder, kort samengevat, aan dat zij goed zicht heeft op haar eigen problematiek en dat zij een intensieve band heeft met [zoon 1.]. Het contact tussen de moeder en de gezinsvoogd verloopt goed. Door problemen in het verleden is de moeder haar zelfstandige woonruimte kwijtgeraakt, maar haar is toegezegd dat – zodra zij de verzorging en opvoeding van [zoon 1.] weer voor haar rekening kan nemen – haar opnieuw woonruimte zal worden aangeboden. De moeder wil weer beschikbaar zijn voor [zoon 1.]. Zij staat op de wachtlijst voor Begeleid Wonen en aan haar zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk begin januari 2013 een huis worden aangeboden.
Tot slot stelt de moeder dat zij een netwerk aan hulpverlening klaar heeft staan en het in het belang van [zoon 1.] is wanneer hij op de kortst mogelijke termijn terugkeert naar haar.
3.5. De stichting heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd en gesteld dat het perspectief van [zoon 1.] niet meer bij de moeder ligt en dat momenteel wordt onderzocht of de plaatsing in het kort verblijf gezin, waar [zoon 1.] thans verblijft, kan worden omgezet in een perspectiefbiedende plaatsing.
De stichting heeft verder verklaard dat de twee oudste kinderen van de moeder begin 2013 thuisgeplaatst worden, maar dat [zoon 1.] meer structuur en duidelijkheid vraagt in zijn verzorging en opvoeding en dat een thuisplaatsing van [zoon 1.], mede gelet op zijn jonge leeftijd, niet langer aan de orde is. Het is de moeder niet gelukt om haar leven weer op orde te krijgen binnen de termijn die haar is gegeven, aldus de stichting.
3.6. Het hof overweegt het volgende.
3.6.1. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.6.2. Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder sinds begin 2012 in het Labrehuis (daklozenopvang) woont en dat zij in januari 2013, uiterlijk in februari 2013, een woning zal krijgen binnen een projectpand van Begeleid Wonen Neos, genaamd ‘Plan Door’.
Aan doorstroming naar ‘Plan Door’ is een aantal voorwaarden verbonden. De moeder dient bij de GGZE de traumatherapie af te ronden, zich aan de afspraken met de hulpverlening te houden en zich begeleidbaar op te stellen.
Door de stichting wordt de stelling van de moeder onderschreven dat zij zich aan de afspraken houdt en zich begeleidbaar opstelt. Daarnaast is er sprake van een goed contact tussen de moeder en de stichting.
Ten aanzien van de therapie bij de GGZE, is gebleken dat de moeder recentelijk een intakegesprek heeft gehad en dat zij begin december 2012 een afspraak heeft met de psycholoog. Uit het aanmeld- en doorstroomformulier van Begeleid Wonen d.d. 23 oktober 2012 blijkt dat de moeder niet eerder met haar therapie bij de GGZE heeft kunnen starten vanwege de wachttijden en de procedures van de GGZE.
Het hof is van oordeel dat het feit dat de moeder er niet in is geslaagd haar leven weer volledig op orde te krijgen binnen de termijn die de stichting aan de moeder heeft gesteld, niet tot de conclusie mag leiden dat [zoon 1.] niet meer terug geplaatst kan worden bij zijn moeder. Hoewel het hof het met de stichting eens is dat het belang van een jong kind als [zoon 1.] met zich brengt dat op de kortst mogelijk termijn duidelijkheid moet worden verkregen over zijn toekomstperspectief, kan het niet zo zijn dat het niet behalen van de termijn er altijd toe leidt dat het perspectief op terugplaatsing van de baan is. Aan de hand van de concrete omstandigheden dient beoordeeld te worden of terugplaatsing, ondanks het verstrijken van de termijn, nog tot de mogelijkheden behoort. Het hof is van oordeel dat terugplaatsing in dit geval nog zeer wel mogelijk is en overweegt daartoe het volgende.
Het kan de moeder, gelet op de wachtlijsten bij de GGZE, niet worden verweten dat zij niet binnen zes maanden aan alle voorwaarden heeft voldaan. Bovendien is het hof gebleken dat [dochter] en [zoon 2.] wel thuis worden geplaatst wanneer de moeder over een woning beschikt; kennelijk heeft de stichting wel het vertrouwen dat de moeder in staat is om hen te verzorgen en op te voeden.
Gezien het feit dat de moeder op korte termijn zal doorstromen naar Begeleid Wonen, concludeert het hof dat de moeder dan alsnog heeft voldaan aan de voorwaarden die haar zijn gesteld. Verder is het hof van oordeel dat de moeder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij druk doende is met het opbouwen van een sociaal netwerk en dat zij goed meewerkt met de ambulante hulpverlening. Op vragen van het hof, heeft de stichting verklaard dat intensieve thuisbegeleiding voor de moeder en de kinderen gerealiseerd kan worden binnen ‘Plan Door’ naast de wekelijkse woonbegeleiding die de moeder door Neos zal worden aangeboden.
3.6.3. Daarnaast acht het hof van groot belang dat er sprake is van een goede hechtingsrelatie tussen moeder en kind en dat [zoon 1.] moeite heeft met het afscheid nemen van de moeder na het wekelijkse contactmoment. In tegenstelling tot de stichting, beschouwt het hof dit niet als ‘zorgelijk’, maar als positief in die zin dat [zoon 1.] signalen van een goede hechting aan zijn moeder laat zien.
3.6.4. Op grond van voormelde positieve ontwikkelingen, en mede gelet op de jonge leeftijd van [zoon 1.], is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van [zoon 1.] met ingang van 1 maart 2013 dient te worden beëindigd zodat [zoon 1.] weer thuis kan opgroeien bij zijn moeder en [dochter] en [zoon 2.], nu het hof de uithuisplaatsing met ingang van die datum niet langer noodzakelijk acht in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Het traject om [zoon 1.] weer thuis te plaatsen dient te worden ingezet wanneer de moeder over een eigen woning beschikt.
Het hof acht begeleiding in de thuissituatie wenselijk en verwacht dat de stichting hier actief mee aan de slag zal gaan zodat de intensieve thuisbegeleiding van start kan gaan zodra [zoon 1.] thuis is geplaatst.
Tot slot benadrukt het hof dat de stichting – desgevraagd – ter zitting heeft verklaard dat de frequentie van de huidige wekelijkse omgangsregeling tussen de moeder en [zoon 1.] niet zal worden beperkt totdat duidelijkheid is over het door de moeder ingestelde hoger beroep.
3.6.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het verzoek van de stichting afgewezen wordt met ingang van 1 maart 2013.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt met ingang van 1 maart 2013 de bestreden beschikking;
en in zoverre opnieuw recht doende:
wijst met ingang van 1 maart 2013 alsnog af het inleidend verzoek van de stichting ter zake de machtiging uithuisplaatsing;
bekrachtigt de genoemde beschikking over de periode van 8 augustus 2012 tot 1 maart 2013;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, M.C. van Dijkhuizen en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.