ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7336
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot erkenning familierechtelijke afstammingsrelatie en erfrechtelijke status
Appellante verzocht het hof om te verklaren dat zij juridisch als dochter van wijlen de heer en mevrouw [erflater] moet worden beschouwd en recht heeft op hun erfenis. Zij baseerde dit op haar opname in het gezin in Indonesië in 1935 en de voogdijbeschikking van 1948. Appellante stelde dat er sprake was van een familierechtelijke afstammingsrelatie, althans dat zij recht had op erfrechtelijke erkenning op grond van de feitelijke gezinssituatie en het Indonesische gewoonterecht (adat).
Het hof oordeelde dat de Nederlandse wet vanaf 1956 wel degelijk een mogelijkheid bood tot adoptie, mits het verzoek binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet werd ingediend en het kind op het moment van verzoek nog geen 30 jaar was. Appellante was echter al meerderjarig en er is geen adoptieverzoek ingediend. De verwijzing naar de zaak Muñoz Diaz v. Spanje werd niet gevolgd omdat in die zaak wel een gerechtelijke vaststelling had plaatsgevonden.
Verder stelde het hof vast dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat het Indonesische gewoonterecht een adoptie met dezelfde juridische gevolgen als de Nederlandse adoptie tot stand had gebracht. Ook was er geen sprake van een schending van het non-discriminatiebeginsel. De verzoeken tot vaststelling van de rechtsgeldigheid van buitenlandse beschikkingen werden afgewezen wegens gebrek aan belang en rechtsgrond.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Middelburg die het verzoek van appellante tot erkenning van erfrechtelijke status had afgewezen. Appellante en haar notaris waren niet verschenen bij de mondelinge behandeling. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 11 september 2012.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van appellante tot erkenning als erfgename af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.