ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4246
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep kort geding
- C.M. Aarts
- M.J.H.A. Venner-Lijten
- R.R.M. de Moor
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en beëindiging arbeidsovereenkomst binnen proeftijd
In deze zaak staat centraal de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil tussen een Belgische werkgever en een werknemer met werkzaamheden in Nederland. De werknemer vordert loonbetaling en wedertewerkstelling na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter had geoordeeld dat hij bevoegd was op grond van artikel 19 EEX Pro-verordening, omdat de werknemer zijn werkzaamheden hoofdzakelijk in Nederland verrichtte, ondanks dat de werkgever in België is gevestigd. Het hof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de arbeidsovereenkomst Nederland als plaats van tewerkstelling vermeldt, en dat de werknemer in april 2011 daadwerkelijk in Nederland werkzaam was.
Verder oordeelt het hof dat de arbeidsovereenkomst op 1 april 2011 is ingegaan, ondanks stellingen van de werkgever dat dit later zou zijn. De opzegging op 8 juni 2011 binnen de proeftijd wordt niet als rechtsgeldig beschouwd, omdat de proeftijd schriftelijk moet zijn overeengekomen en de opzegging buiten de termijn viel.
De vorderingen tot wedertewerkstelling worden afgewezen omdat het hof onvoldoende aannemelijk acht dat een vruchtbare samenwerking mogelijk is. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd, waarbij de proceskosten worden toegewezen aan de respectievelijke verliezende partijen in het principaal en incidenteel appel.
Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig binnen de proeftijd is beëindigd, waarbij het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.