ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4061
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens niet naleven Leerplichtwet 1969 ondanks beroep op vrijstelling
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte terecht werd veroordeeld voor het niet voldoen aan de leerplichtverplichting voor haar kinderen in de periode van 22 juni tot 24 juli 2009. Verdachte voerde verweer op basis van een vrijstelling van de Leerplichtwet 1969 wegens richtingbezwaren tegen het onderwijs, maar kon niet aantonen dat zij tijdig de vereiste kennisgeving had gedaan.
Het hof oordeelde dat de kennisgeving voor 1 juli voorafgaand aan het betreffende schooljaar had moeten plaatsvinden, conform de Hoge Raad jurisprudentie. De door verdachte ingediende kennisgeving was niet tijdig en bovendien niet geldig voor de periode waarin het verzuim plaatsvond. Hierdoor kon geen beroep op vrijstelling worden toegewezen.
Het bewezen verklaarde bestond uit het niet zorgen dat de kinderen de basisschool geregeld bezochten, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969. Het hof achtte de strafbaarheid van verdachte bewezen en veroordeelde haar tot een voorwaardelijke geldboete van 250 euro met een proeftijd van twee jaar. De geldboete wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd vanwege overschrijding van de wettelijke uitspraaktermijn. Het hof deed zelf recht en benadrukte het maatschappelijke belang van handhaving van de leerplicht, ook als ouders handelen vanuit hun overtuiging. Hiermee werd het belang van het onderwijs en de naleving van de wet boven het individuele belang van de verdachte gesteld.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 250 euro wegens het niet zorgen voor geregeld schoolbezoek van haar kinderen.