ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8989
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- W.H.B. den Hartog Jager
- L.Th.L.G. Pellis
- C.N.M. Antens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslagvrije voet bij buitenlandse inkomsten en relatieve bevoegdheid kantonrechter
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of appellant, die in België woont, recht heeft op een beslagvrije voet op zijn AOW-uitkering, gezien zijn vermeende onvoldoende middelen van bestaan buiten de AOW. De gemeente Maastricht had beslag gelegd op de AOW-uitkering vanwege een vordering wegens terugbetaling van een startersvergoeding.
De kantonrechter in eerste aanleg wees het verzoek af en stelde zich aanvankelijk onbevoegd op, verwijzend naar relatieve bevoegdheid en artikel 96 Rv Pro. Het hof oordeelde echter dat de kantonrechter Maastricht wel bevoegd was, omdat de gemeente daar gevestigd is en artikel 438a Rv niet van toepassing is op deze zaak. Het hof verklaarde het hoger beroep ontvankelijk.
Substantieel oordeelde het hof dat onder inkomsten ook verstaan moeten worden de inkomsten die redelijkerwijs kunnen worden genoten. De echtgenote van appellant, mede-aandeelhouder van een BVBA die een traiteurszaak drijft, wordt geacht over voldoende middelen te beschikken, ondanks dat de onderneming verliesgevend zou zijn. Hierdoor is appellant niet gerechtigd tot een beslagvrije voet boven zijn AOW-uitkering.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vaststelling van een hogere beslagvrije voet af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter Maastricht.