ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0121

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-003098-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359a SvArt. 404 SvArt. 407 SvArt. 416 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens schending recht op advocaat bij eerste verhoor in hennepteeltzaak

De verdachte werd beschuldigd van het telen en verwerken van hennepplanten in een loods en voertuig te Lage Zwaluwe. Tijdens het eerste politieverhoor was hij uit anderen hoofde gedetineerd en formeel niet aangehouden voor deze zaak, waardoor hij niet voorafgaand aan het verhoor op zijn recht op advocaat werd gewezen.

Het hof oordeelde dat de situatie van de verdachte gelijkgesteld moet worden aan die van een aangehouden verdachte, waardoor hij recht had op voorafgaand advies van een advocaat. Omdat hij niet op dit recht werd gewezen en geen gelegenheid kreeg een advocaat te raadplegen, is sprake van een vormverzuim volgens artikel 359a Sv, wat leidt tot bewijsuitsluiting van zijn verklaring.

Op basis van het overige bewijsmateriaal kon niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat de verdachte het ten laste gelegde feit had begaan. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de hennepteelt ten laste gelegd.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter voor zover het hoger beroep aan de orde was en deed opnieuw recht. Tevens werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor zover dit gericht was tegen een andere vrijspraak.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het recht op rechtsbijstand bij politieverhoren en de gevolgen van het niet naleven daarvan voor de bewijsvoering.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens schending van zijn recht op advocaat bij het eerste verhoor.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer : 20/003098-10
Uitspraak : 21 december 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 29 juli 2010 in de strafzaak met parketnummer 02/627988-09 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1964],
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, met dien verstande dat de toepasselijke wettelijke voorschriften worden aangevuld met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de inhoud van de ‘akte rechtsmiddel’ van 12 augustus 2010 is het hoger beroep bij het aanwenden daarvan niet beperkt tot de veroordeling ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Het hoger beroep is later evenmin beperkt door partiële intrekking.
Op de voet van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal het hof, mede gelet op het bepaalde in artikel 404 eerste Pro lid jo artikel 407 tweede Pro lid van dat Wetboek de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis – voor zover aan de orde in hoger beroep – zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan verdachte is – voor zover thans nog van belang – tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 maart 2009, in de gemeente Drimmelen, te Lage Zwaluwe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een aan de [adres] gelegen loods en/of pand [nummer 1] en/of voertuig [vrachtauto]) (totaal) ongeveer 1230, althans 615, hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Vrijspraak
Bestendige jurisprudentie brengt met zich dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan art. 6 EVRM Pro een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen. Dit brengt mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat en dat hem, behoudens het geval dat hij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moet worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv.
In de onderhavige zaak was de verdachte ten tijde van zijn eerste verhoor door de politie uit anderen hoofde gedetineerd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan dit verhoor door verbalisant [verbalisant], die het verhoor van verdachte in het huis van bewaring heeft afgenomen op 17 juni 2009, is aangehouden als verdachte in de onderhavige zaak.
Met de verdediging, is het hof van oordeel dat, hoewel de verdachte op het moment van zijn eerste verhoor formeel niet was aangehouden voor de onderhavige zaak, zijn situatie voor wat betreft de aanspraak op rechtsbijstand die hij kan ontlenen aan artikel 6 EVRM Pro onder de omstandigheden van het geval zoals die zijn gebleken uit de verklaring van de verbalisant [verbalisant] als getuige ter terechtzitting van het hof, gelijkgesteld dient te worden met de situatie waarin hij wel als verdachte in onderhavige zaak zou zijn aangehouden.
Immers, nu verdachte niet tevoren op de hoogte was gesteld van het feit dat hij als verdachte zou worden verhoord, heeft hij niet de gelegenheid gehad zelf voorafgaand aan dat verhoor een advocaat te raadplegen. Daar komt nog bij dat verdachte uit anderen hoofde was gedetineerd en hij feitelijk zoals het hof heeft vastgesteld op grond van de verklaring van de getuige [verbalisant] niet in staat is geweest om het verhoor te doen eindigen en de verhoorruimte vrijelijk te verlaten.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor door de betreffende verbalisant is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat, noch dat hem de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen.
Dientengevolge is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs van het tenlastegelegde mag worden gebruikt, omdat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden, nu de verklaring van verdachte door het vormverzuim is verkregen en door deze onrechtmatige bewijsgaring artikel 6 EVRM Pro in aanzienlijke mate is geschonden.
Met de verdediging, is het hof voorts van oordeel dat op basis van het overige bewijsmateriaal in het dossier niet (voldoende) wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis – voor zover aan de orde in hoger beroep – en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. M. van Zinnen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,
en op 21 december 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.