ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6255

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.086.318
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:264 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming medische behandeling en bijzonder onderwijs voor minderjarige met ADHD

De zaak betreft een minderjarige, [Y.], die onder toezicht staat van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg en sinds 2007 in een netwerkpleeggezin verblijft. De stichting verzocht om vervangende toestemming voor medische behandeling met medicatie ter vermindering van ADHD-klachten en plaatsing in rec-4 onderwijs, omdat de vader, die mede het gezag heeft, zijn toestemming weigerde.

De rechtbank had de vervangende toestemming reeds verleend, maar de vader ging hiertegen in hoger beroep. Hij voerde aan dat hij onvoldoende gehoord werd, dat ADHD te snel wordt vastgesteld en dat medicatie schadelijk kan zijn. Hij stelde dat zijn bezwaren onvoldoende werden meegewogen en dat er sprake was van vooringenomenheid.

Het hof nam kennis van uitgebreide medische rapportages waaruit bleek dat de behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [Y.] te voorkomen. Ook uit brieven van pleegouders, moeder en Xonar Pleegzorg bleek dat de medicatie en het bijzonder onderwijs positieve effecten hebben op het welzijn en gedrag van [Y.].

Het hof oordeelde dat de vader onvoldoende gemotiveerd zijn bezwaren had toegelicht en dat zijn afwezigheid bij de zitting zijn risico was. De raad voor de kinderbescherming onderschreef het verzoek van de stichting. Daarom werd de beschikking van de rechtbank Maastricht van 28 januari 2011 bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die vervangende toestemming verleent voor medicatie en bijzonder onderwijs voor de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Uitspraak: 27 september 2011
Zaaknummer: HV 200.086.318/01
Zaaknummer eerste aanleg: 157199/OT RK 10-2084
in de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.M.J. Graus,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te Roermond en mede kantoorhoudende te Sittard,
verweerster,
hierna te noemen: de stichting.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 28 januari 2011.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2011, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de verzochte machtiging tot vervangende toestemming af te wijzen. Indien het hof niet direct tot toewijzing van het door de vader verzochte kan of wil overgaan, verzoekt de vader expliciet aan het hof om een mondelinge behandeling en zo nodig eveneens de benoeming van een deskundige en onpartijdige derde of instantie, niet zijnde de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) en/of de stichting en/of de William Schrikker Stichting, voor een nader en gericht onderzoek naar de situatie rond de hierna te noemen minderjarige [Y.] en hetgeen voor hem noodzakelijk is, kosten rechtens.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de raad, vertegenwoordigd door de heer R. Heckers;
- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw S.M.L. Lemmens.
2.2.1. De vader, zijn advocaat, en mevrouw [Z.] (hierna te noemen: de moeder) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De familie [A.] (hierna te noemen: de pleegouders) is, met voorafgaand bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 januari 2011;
- de brief met bijlagen d.d. 10 mei 2011 en de brief d.d. 23 mei 2011 van de stichting;
- de brief met bijlagen van Xonar Pleegzorg, welke brief op 16 augustus 2011 is ingekomen ter griffie van het hof.
3. De beoordeling
3.1. Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is geboren:
- [zoon] (hierna: [Y.]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].
3.2. [Y.] staat sinds 17 maart 2005 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 17 maart 2012.
[Y.] is op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin (grootouders mz). Hij verblijft daar sedert november 2007.
3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank aan de stichting vervangende toestemming verleend om de minderjarige [Y.] de in het verzoekschrift van de stichting omschreven medische behandeling, bestaande uit medicatie en plaatsing op het in voormeld verzoekschrift omschreven rec-4 onderwijs, te laten ondergaan.
3.3. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4. De vader voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.
Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de gezinsvoogdes en de moeder hun argumenten gefundeerd zouden hebben gesteld en gemotiveerd in tegenstelling tot de vader, dat de vader [Y.] ernstig te kort doet, en ten onrechte de gevraagde vervangende machtiging verleend. De vader wijst erop dat hij buiten het leven van [Y.] wordt gehouden. Dat de rechtbank dan aan de vader tegenwerpt dat hij ongefundeerd en ongemotiveerd verweer voert, is niet alleen ongerechtvaardigd in het licht van die feiten, maar ook ongepast. Het duidt op vooringenomenheid. Dit volgt ook uit de nogal vergaande, ongepaste kwalificatie dat de vader [Y.] tekort zou doen door zijn toestemming te onthouden. Immers, nergens wordt onderbouwd welke effecten het rec-4 onderwijs op [Y.] zullen zijn en het krijgen van de in het verzoekschrift beschreven medische behandelingen. Te snel en te vaak wordt ADHD vastgesteld. Daarnaast hebben veel deskundigen vastgesteld dat de behandelingen en medicatie ter zake ADHD vaak onjuist zijn, een verkeerde uitwerking hebben en zelfs schadelijk zijn. Op internet en in de media zijn daar de nodige discussies over. De rechtbank negeert dit, terwijl het een feit van algemene bekendheid mag zijn. Het feit dat de vader gebruik maakt van zijn rechten, mag hem niet worden tegengeworpen. De vader maakt zich al langer over veel aspecten rondom [Y.] ernstig zorgen, maar hij wordt niet gehoord.
3.5. De stichting heeft in haar brief d.d. 23 mei 2011 - kort samengevat - aangevoerd dat zij nog steeds achter haar ingediende verzoek tot vervangende toestemming medische behandeling staat. Indien zij vervangende toestemming krijgt kan namelijk de hulpverlening c.q. schoolse ontwikkeling van [Y.] worden gecontinueerd. Gezien de aard van de grieven van de vader - die betrekking hebben op de rechtsgang - is het niet aan de de stichting om hierop in te gaan.
Ter zitting heeft de stichting hieraan onder meer nog toegevoegd dat [Y.] in het verleden snel was afgeleid. Vanuit de speltherapie - welke behandeling [Y.] al jarenlang ondergaat - blijkt dat het met [Y.] beter gaat. De vader laat echter niets van zich horen, ook niet aan [Y.]. De stichting gaat waarschijnlijk een verzoek indienen voor een verderstrekkende maatregel.
3.6. De raad heeft ter zitting onder meer verklaard dat in het appelschrift van de vader heel erg de nadruk ligt op het ongenoegen van de vader en de ex-partnerproblematiek. De vader laat zich echter weinig uit over het verzoek van de stichting tot vervangende toestemming. Bovendien is hetgeen de vader daaromtrent aanvoert niet voldoende, terwijl de stichting haar verzoek tot vervangende toestemming wel goed heeft onderbouwd. Nu het met [Y.] thans beter gaat, denkt de raad dat het goed is indien vervangende toestemming aan de stichting wordt verleend. De raad is dan ook van mening dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
3.7. Het hof overweegt het volgende.
3.7.1. Op grond van artikel 1:264 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de stichting, worden vervangen door die van de kinderrechter.
3.7.2. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat medicatie ter vermindering van de ADHD-klachten van [Y.] en plaatsing van [Y.] binnen rec-4 onderwijs noodzakelijk zijn om ernstig gevaar van zijn gezondheid te voorkomen en dat - nu de vader die mede met het gezag over [Y.] is belast zijn toestemming voor voonoemde medische behandeling weigert - dientengevolge aan de stichting voornoemde behandeling vervangende toestemming moet worden verleend.
Immers, uit de rapportage van Orbis Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: Orbis) d.d. 27 oktober 2010, opgesteld door mevrouw [B.], hoofdbehandelaar en GZ-psycholoog, en mevrouw [C.], kinder- en jeugdpsychiater, blijkt onder meer dat [Y.] cognitief op een gemiddeld niveau functioneert. Gedragsmatig wordt er bij hem onrustig, ongeduldig en impulsief gedrag gezien. [Y.] kan zich moeilijk concentreren en is verhoogd afleidbaar. Stil zitten is erg moeilijk voor [Y.] en hij kan zich niet afsluiten voor prikkels uit de omgeving. Dat belemmert hem in zijn taakgerichtheid en maakt het onder andere lastig om zijn cognitieve capaciteiten te benutten in de schoolse situatie. In relaties met anderen valt op dat [Y.] op vluchtige en functionele wijze contact maakt. [Y.] is in de omgang druk en vraagt veel aandacht. Er treedt echter nauwelijks contactgroei op omdat hij wederkerigheid vermijdt. In de relatievorming valt de sterke behoefte aan controle op, waarbij [Y.] erg egocentrisch en zelfbepalend is. Dit lijkt voor een groot deel voort te komen uit angst en gevoelens van onveiligheid, die zeker vanuit de voorgeschiedenis versterkt zijn. Tevens kan hij brutaal zijn en is het soms moeilijk voor hem zich aan de regels te houden. Samenspel loopt daarom vaak uit op conflicten. De frustratietolerantie is laag. [Y.] kan naast oppositioneel ook agressief reageren (verbale agressie, slaan). In zijn sociaal-emotionele ontwikkeling wordt verder gezien dat [Y.] de neiging heeft om angsten te ontkennen en zich juist krachtiger te presenteren. [Y.] heeft moeite met het reguleren van aandacht en van zijn emoties. In het spel valt op dat [Y.] moeilijk alleen bezig kan zijn en moeilijk kan kiezen. De identiteitsontwikkeling is zwak, hij heeft een nog weinig gedifferentieerde kijk op zichzelf en anderen. Wat betreft de gewetensontwikkeling valt op dat deze beperkt is. Tegelijk is [Y.] heel angstig om iets verkeerd te doen en onderliggend eerder faalangstig. [Y.] slaapt sinds dit jaar alleen, echter hij heeft in- en doorslaapproblemen en is geneigd ’s nachts de nabijheid van oma te vragen. Logeren buitenshuis durft hij niet. Zowel op school als thuis levert dit alles veel problemen op en is de opvoedingsbelasting voor pleegouders verzwaard. In zijn doen en laten heeft [Y.] - zelfs in een zeer kleine groepssetting - veel nabijheid en aansturing van de volwassene nodig. Samenvattend wordt de diagnose reactieve hechtingsstoornis gesteld. Dit verklaart echter onvoldoende de ernst en de aard van zijn onrust, impulsiviteit en aandacht/concentratieproblemen in diverse situaties. Daarom wordt een aanvullende classificatie ADHD van het gecombineerde type gerechtvaardigd geacht. Geadviseerd wordt medicatie ter vermindering van de ADHD-klachten en daarnaast vraagt [Y.]s gedrag om een langdurend gespecialiseerde schoolsetting (cluster 4) evenals gespecialiseerde dagbesteding.
3.7.3. Het hof overweegt dat de noodzaak van de medicatie ter vermindering van de ADHD-klachten en rec-4 onderwijs voor [Y.], ook blijkt uit de op 16 augustus 2011 ter griffie nader ingekomen stukken (behelzende de brief van Xonar Pleegzorg (hierna: Xonar), de brief van de pleegouders en de brief van de moeder.
Zo blijkt uit de brief van Xonar dat nu het bijzonder onderwijs en de medicatie voor [Y.] gestart zijn, Xonar een duidelijke verbetering bij [Y.] op schoolgebied, in zijn gedrag en in zijn algeheel welbevinden ziet. Volgens Xonar geeft [Y.] zelf ook aan zich fijner te voelen. Xonar is er dan ook van overtuigd dat het in het belang van [Y.] is dat de verstrekking van medicatie en het volgen van bijzonder onderwijs worden voortgezet.
Uit de brief van de pleegouders blijkt dat zij het eens zijn met de school en medicatie die Orbis voor [Y.] heeft geadviseerd. Zij zien dat [Y.] er veel baat bij heeft. Door de medicatie is [Y.] rustiger. Hierdoor kan hij alles beter overzien. Hij wordt minder snel boos en hij krijgt minder snel ruzie. Volgens de pleegouders geeft [Y.] zelf aan dat het rustiger is in zijn hoofd. De pleegouders hopen voor het welzijn van [Y.] dat de huidige school en medicatie kunnen worden voortgezet.
Uit de brief van de moeder blijkt dat de moeder en haar partner voor de zomervakantie te horen kregen dat [Y.] het heel goed doet op school. Voordat [Y.] zijn medicijnen kreeg had hij het moeilijk met zichzelf. Sinds de medicatie is [Y.] alleen maar vooruit gegaan.
Ook uit de informatie zoals de stichting ter zitting heeft weergegeven aangaande de speltherapie blijkt dat het met [Y.] thans beter gaat.
3.7.4. De vader daarentegen heeft naar het oordeel van het hof echter onvoldoende (gemotiveerd) aangevoerd wat zijn bezwaren zijn tegen het verzoek van de stichting. De vader volstaat immers in zijn beroepschrift met een algemene verwijzing naar op internet en in de media gevoerde discussies aangaande ADHD. Verder hebben zijn stellingen met name betrekking op zijn beleving van de contacten met de stichting. Dit acht het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De vader heeft door zijn afwezigheid ter zitting niet de geboden gelegenheid te baat genomen zijn standpunt nader toe te lichten. Dit dient voor zijn rekening en risico te blijven.
3.8. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 28 januari 2011.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, C.D.M. Lamers en E.N. van der Spoel en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2011.