ECLI:NL:GHSHE:2011:BR5930
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- M. van Ham
- C.D.M. Lamers
- P.C.G. Brants
- Rechtspraak.nl
Beoordeling samenwonen na echtscheiding en gevolgen voor partneralimentatie
Partijen zijn in 1984 getrouwd en in 2007 gescheiden, waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. De man stelt dat de alimentatieplicht is geëindigd vanaf 8 januari 2008 omdat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de man in hoger beroep ging.
Het hof benadrukt dat voor het beëindigen van de alimentatieplicht op grond van artikel 1:160 BW Pro vereist is dat sprake is van een duurzame affectieve relatie met een gemeenschappelijke huishouding die gelijkstaat aan een huwelijk. De man moet dit bewijzen en het hof legt de bewijslast restrictief uit.
De man voert diverse omstandigheden aan die zouden wijzen op een dergelijke levensgemeenschap, terwijl de vrouw dit betwist en aangeeft huur te betalen en financieel zelfstandig te zijn. Het hof constateert dat de vrouw onvoldoende feitelijke gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar betwisting en beveelt haar daarom stukken te overleggen met toelichting.
De zaak wordt aangehouden tot 26 september 2011 voor het overleggen van deze stukken, waarna partijen hierop kunnen reageren. Het hof beveelt geheimhouding van de stukken en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof houdt de beslissing aan en beveelt de vrouw financiële stukken te overleggen ter onderbouwing van haar betwisting van samenwonen.