ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5308
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- C.E.L.M. Smeenk-Van der Weijden
- M.J.H.A. Venner-Lijten
- R.R.M. de Moor
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ongegrond ontslag op staande voet wegens onvoldoende klantbezoeken
De werknemer trad op 1 mei 2007 in dienst bij HBI als Sales Consultant met een contract van 12 maanden. Tijdens het dienstverband werd hij op non-actief gesteld en op 24 oktober 2007 op staande voet ontslagen wegens onvoldoende kwalitatieve en kwantitatieve klantbezoeken en vermeende werkzaamheden voor het ICT-bedrijf van zijn echtgenote tijdens werktijd.
De kantonrechter oordeelde dat de feiten onvoldoende waren voor een ontslag om dringende reden en ontbond de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk zonder vergoeding. HBI ging in hoger beroep en stelde dat de werknemer onvoldoende had gepresteerd en de nevenactiviteiten in strijd waren met afspraken.
Het hof oordeelde dat HBI onvoldoende had onderbouwd dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd was. Er was geen duidelijk verbetertraject ingezet en de vermeende nevenactiviteiten waren beperkt en toegestaan. Nieuwe feiten die na het ontslag bekend werden, konden niet worden meegewogen. Ook een matiging van de wettelijke verhoging werd afgewezen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en veroordeelde HBI in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart het ontslag op staande voet van werknemer ongegrond.