ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4142
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bankrelatie coffeeshophouder wegens CDD-regelgeving en Wwft-risico's
JEM Horeca exploiteert een coffeeshop en heeft een betaalrekening bij Van Lanschot. Van Lanschot zegde de relatie op vanwege de omvangrijke contante stortingen en het vermeende risico op witwassen en reputatieschade. De bank baseerde zich op de CDD-regelgeving en Wwft, die banken verplichten cliënten te screenen en risico's te beheersen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat Van Lanschot de relatie niet mocht beëindigen zonder voldoende zwaarwegende grond, en dat JEM Horeca de bankrelatie moest kunnen voortzetten. Van Lanschot ging in hoger beroep tegen dit oordeel, maar het hof bevestigde dat algemene beleidsopvattingen over coffeeshops niet volstaan om een relatie te beëindigen. Concrete aanwijzingen voor overtredingen van de gedoogcriteria of onacceptabele risico's ontbraken.
Het hof overwoog dat coffeeshops een hoger witwasrisico kunnen hebben, maar dat beheersmaatregelen zoals het bevorderen van girale betalingen het risico kunnen beperken. JEM Horeca had reeds een overeenkomst gesloten om giraal betalen mogelijk te maken. Bovendien was Van Lanschot tekortgeschoten in haar onderzoek naar de aard van de bedrijfsactiviteiten, waardoor JEM Horeca niet kon worden verweten dat zij niet expliciet had gemeld dat zij een coffeeshop exploiteerde.
Het hof oordeelde dat JEM Horeca een zwaarwegend belang heeft bij het voortzetten van de bankrelatie, omdat zonder toegang tot bancaire diensten de exploitatie van haar onderneming ernstig wordt belemmerd. Het hoger beroep van Van Lanschot werd afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Van Lanschot verplicht de bankrelatie met JEM Horeca voort te zetten wegens ontbreken van concrete risico's.