ECLI:NL:GHSHE:2010:BZ6339
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Etten
- Meulenbroek
- Keizer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak op stamrecht en lijfrentepolis bij echtscheiding onder huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn in 1988 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, inclusief een verrekenbeding en pensioenbepaling. Het huwelijk werd in 1999 ontbonden. In hoger beroep staat de afwikkeling van het verrekenbeding en de aanspraak op stamrecht en lijfrentepolis centraal.
Het hof bevestigt dat het stamrecht en de lijfrentepolis als aanvullende oudedagsvoorzieningen moeten worden aangemerkt die onder artikel 14 van Pro de huwelijkse voorwaarden vallen. De man stelde dat de vrouw slechts aanspraak heeft op 8/30e van het stamrecht, de vrouw eiste de helft. Het hof stelt vast dat de ontslagvergoeding is toe te rekenen aan een periode van 20 jaar, waarvan het huwelijk 8 jaar duurde. De vrouw heeft recht op de helft van het 8/20e deel van het stamrecht, oftewel 2/10e deel.
De man voerde aan dat het stamrecht een arbeidsongeschiktheidsvoorziening zou zijn en dat de volledige arbeidsperiode van 32 jaar in aanmerking genomen moest worden, maar dit werd door het hof verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Het hof wijst ook het verweer af dat slechts één voorziening in aanmerking genomen zou moeten worden; beide voorzieningen moeten worden afgerekend.
Het hof verwijst de zaak naar de rol voor het overleggen van ontbrekende stukken en houdt verdere beslissing aan. De incidentele vordering van de man wordt afgewezen wegens achterhaaldheid en onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De vrouw heeft recht op de helft van het 8/20e deel van het stamrecht; overige grieven worden verworpen en verdere beslissing wordt aangehouden.