ECLI:NL:GHSHE:2010:BN4025
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Meulenbroek
- Keizer
- Venhuizen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over ingangsdatum huurbetalingsverplichting bedrijfsruimte en bewijslevering
Partijen sloten op 30 januari 2000 een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte met een looptijd van 22 maanden, ingaande 1 februari 2000. De huurder gebruikte de ruimte feitelijk vanaf die datum, maar betwistte dat de huurbetalingsverplichting ook toen inging. Volgens de verhuurder was de huur vanaf 1 februari 2000 verschuldigd, terwijl de huurder zich beroept op artikel 41 van Pro de overeenkomst, waarin staat dat de huur pas ingaat zodra voorzieningen zoals een toilet en meterkast gereed zijn, wat pas in november 2001 het geval was.
De kantonrechter wees aanvankelijk de vordering van de verhuurder toe bij verstek, maar verklaarde de huurder ontvankelijk in verzet en oordeelde dat de huurbetalingsverplichting pas vanaf november 2001 bestond. De verhuurder kwam hiertegen in hoger beroep en stelde onder meer dat de verzetdagvaarding niet ontvankelijk was, wat het hof verwierp. Het hof oordeelde dat de huurder tijdig in verzet was gekomen en ontvankelijk was.
Het hof overwoog dat de verhuurder onvoldoende bewijs had geleverd dat de huurbetalingsverplichting onvoorwaardelijk vanaf 1 februari 2000 bestond. Tevens werd de huurder toegelaten tot bewijslevering dat hij mondeling was overeengekomen dat de huur pas zou ingaan na oplevering van voorzieningen. Het hof bepaalde dat getuigen gehoord kunnen worden en stelde een rolzitting vast voor verdere procedurele afspraken. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Het hof laat partijen toe bewijs te leveren over de ingangsdatum van de huurbetalingsverplichting en houdt verdere beslissing aan.