ECLI:NL:GHSHE:2009:BK6181
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Aarts
- Venner-Lijten
- Walsteijn
- Rechtspraak.nl
Derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan
De werknemer was vanaf 16 april 2002 werkzaam bij de werkgever op basis van drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Volgens de CAO Schildersbedrijf geldt dat een derde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geacht wordt te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd indien de contracten elkaar binnen 31 dagen opvolgen.
De werknemer meldde zich ziek op 12 mei 2003 en kreeg een WAO-uitkering vanaf 10 mei 2004. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 16 oktober 2003, maar de werknemer vorderde loonbetaling vanaf die datum omdat hij meende dat de arbeidsovereenkomst door de CAO-regeling als onbepaalde tijd moest worden beschouwd.
Het hof oordeelde dat de CAO-regeling afwijkt van het wettelijke artikel 7:668a BW en dat de derde arbeidsovereenkomst inderdaad geacht moet worden voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan. De werkgever moest daarom het loon betalen vanaf 16 oktober 2003 tot 12 mei 2004, inclusief wettelijke verhoging en rente. Het beroep van de werkgever op verjaring en rechtsverwerking werd verworpen. De vordering tot loon na 12 mei 2004 werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bewijs van re-integratie-inspanningen door de werknemer.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de werkgever tot betaling van het loon en proceskosten.
Uitkomst: Derde arbeidsovereenkomst wordt geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan en werkgever moet loon betalen vanaf 16 oktober 2003 tot 12 mei 2004.