ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6235

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HV 200.002.551-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Everaars-Katerberg
  • Smeenk-van der Weijden
  • Pellis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 251 BWArt. 262 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij toewijzing gemeenschappelijk verzoek echtscheiding

De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarbij het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader is vastgesteld en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan de vader is toegekend. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist en dat het in het belang van de kinderen is dat zij het hoofdverblijf bij haar hebben. Tevens stelt zij dat het huurrecht aan haar moet worden toegekend. De moeder beroept zich op depressieve klachten en druk van de vader bij het opstellen van het convenant.

Het hof overweegt dat partijen een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend met afspraken over de kinderen en het huurrecht. De moeder heeft in eerste aanleg gekregen wat zij heeft verzocht. Jurisprudentie leert dat hoger beroep niet is bedoeld om een toegewezen verzoek ongedaan te maken omdat een partij van gedachten verandert. Het hof verklaart de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Het hof merkt op dat de moeder zich beroept op wilsgebrek en wijziging van omstandigheden, maar dat dit niet in hoger beroep kan worden behandeld; zij dient zich daarvoor tot de rechtbank te wenden. Het hof compenseert de proceskosten tussen partijen, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, waardoor de beschikking van de rechtbank blijft staan.

Uitspraak

MB
22 mei 2008
Sector Civiel Recht
Zaaknummer HV 200.002.551/01
Zaaknummer eerste aanleg 166788/FA RK 07- 4635
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellante,
de moeder,
procureur: mr. M.W.M.J. van Rooij,
t e g e n
[Y.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
de vader,
procureur: mr. Y.Th.J.G.M. Poulussen.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 30 november 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 februari 2008, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder en dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] aan de moeder toekomt. Kosten rechtens.
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 maart 2008, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen af te wijzen en zijn huurrecht met betrekking tot de voormalige echtelijke woning in stand te laten.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2008.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Van Rooij;
- de vader, bijgestaan door mr. Poulussen;
- mr. H. Werger, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;
- de producties, overgelegd bij het verweerschrift.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Uit de affectieve (voorhuwelijkse) relatie van de vader en de moeder is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] de, thans nog minderjarige, [zoon Z.] (hierna: [Z.]) geboren. De vader heeft [Z.] voor zijn geboorte door middel van een akte van erkenning op 12 december 2002 erkend.
Partijen zijn op vervolgens op 14 augustus 2003 te Uden met elkaar gehuwd.
Uit dit huwelijk is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] de, thans nog minderjarige, [dochter A.] (hierna: [A.]) geboren.
Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [Z.] en [A.].
4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken (deze beschikking is op 2 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand). Daarnaast heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de getroffen onderlinge regelingen met betrekking tot [Z.] en [A.] en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zoals vermeld in het bij het verzoekschrift overlegde convenant, in de beschikking opgenomen onder verwijzing naar de aan de beschikking gehechte kopie van voormeld convenant. De moeder kan zich met de beslissingen ten aanzien van [Z.] en [A.] alsmede terzake het huurrecht van de voormalige echtelijke woning niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.
4.3. De moeder stelt in haar beroepschrift - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader heeft bepaald en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] aan de vader heeft toegekend.
De moeder acht het in het belang van de kinderen dat zij het hoofdverblijf bij haar zullen hebben. Tevens stelt zij dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan haar dient te worden toegekend. De moeder stelt daartoe ten tijde van het opstellen van het convenant depressieve klachten te hebben gehad. Tevens heeft zij zich door, onder andere, de vader onder druk laten zetten. Hierdoor heeft zij beslissingen genomen waarvan zij de consequenties niet goed heeft kunnen overzien, aldus de moeder.
De vader stelt daarentegen dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben en dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning terecht aan hem is toegekend.
Ontvankelijkheid
4.4. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt.
4.4.1. Partijen hebben zich in het kader van de echtscheiding laten begeleiden door een scheidingsbemiddelaar. Door partijen is vervolgens een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ingediend nadat zij bij echtscheidingsconvenant afspraken hadden gemaakt over de gevolgen van de echtscheiding waaronder een regeling met betrekking tot de kinderen en het huurrecht van de voormalige echtelijke woning.
4.4.2. Uit de heersende jurisprudentie (o.a. HR 4 juni 1999, NJ 1999/535) volgt dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om een partij van wie het verzoek door de rechtbank is toegewezen, gelegenheid te geven die beslissing ongedaan te maken omdat die partij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van dat verzoek af te zien.
Vaststaat dat de bestreden beschikking tot stand is gekomen na een daartoe strekkend gemeenschappelijk verzoek van de vrouw en de man. De vrouw heeft derhalve gekregen wat zij in eerste aanleg heeft verzocht. Gelet op vorenstaande jurisprudentie zal het hof derhalve de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.
4.4.3. In zoverre de moeder zich in hoger beroep beroept op een wilsgebrek ten aanzien van de totstandkoming van het convenant, hetzij op een wijziging van omstandigheden, overweegt het hof dat het hoger beroep zich daar niet voor leent. Daartoe zal de moeder zich opnieuw tot de rechtbank dienen te wenden. Het hof komt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep derhalve niet toe.
4.5. Het hof zal de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen compenseren, nu zij gewezen echtgenoten zijn.
5. De beslissing
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 november 2007;
compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.