ECLI:NL:GHSHE:2007:BD6475

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
K07/0339
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • J.W. de Ruijter
  • B.F. de Poorter
  • F.J.M. Walstock
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 261 SrArt. 262 SrArt. 285 SrArt. 12c Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing klacht wegens gebrek aan bewijs van smaad, laster en bedreiging in emotionele brief

Op 6 april 2007 deed klager aangifte tegen beklaagde wegens smaad, laster en bedreiging. Beklaagde, een nabestaande van slachtoffers van een viervoudige moord gepleegd door klager, had een brief geschreven aan de minister van justitie met scherpe uitlatingen over klager.

De officier van justitie besloot de zaak niet te vervolgen wegens gebrek aan voldoende verdenking. Klager diende daarop een klaagschrift in bij het hof met het verzoek tot vervolging. Het hof overwoog dat de brief niet bedoeld was om ruchtbaarheid te geven aan de inhoud en dat het niet aannemelijk was dat beklaagde klager heeft willen bedreigen met een misdrijf tegen het leven.

Het hof achtte de brief een uiting van onvrede en machteloosheid in een rouwproces, waarbij enige emotie begrijpelijk is. Gezien het ontbreken van bewijs en de context van de brief, vond het hof vervolging niet opportuun en wees het beklag af. Het hof zag geen noodzaak tot nader onderzoek en besloot af te zien van het horen van klager in raadkamer.

Uitkomst: Het hof wijst het beklag af wegens gebrek aan bewijs en acht vervolging niet opportuun.

Uitspraak

K07/0339
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 21 december 2007 inzake het beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
(klager),
thans gedetineerd te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: klager,
over de beslissing van de officier van justitie te Maastricht tot het niet vervolgen van:
(beklaagde),
wonende te Voerendaal,
hierna te noemen: beklaagde,
wegens smaad c.q. laster en/of bedreiging.
De feitelijke gang van zaken.
Op 6 april 2007 heeft klager aangifte gedaan van smaad c.q. laster en/of bedreiging, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde.
Op 3 juli 2007 is door de officier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er onvoldoende grond is voor verdenking.
Hierop heeft klager bij schrijven van 10 juli 2007 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juli 2007, met het verzoek de vervolging te bevelen.
De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 7 augustus 2007 het hof geraden het beklag als kennelijk ongegrond af te wijzen.
De beoordeling.
Klager is veroordeeld ter zake van een viervoudige moord. De slachtoffers betroffen vier leden van één familie. Beklaagde is een nabestaande van de overledenen. Zij heeft op 13 augustus 2006 een brief aan de minister van justitie geschreven waarin zij onder meer stelt:
- dat klager een psychopaat is en op een geraffineerde wijze te werk gaat, waarbij klager zich aan het gevangenisregime onttrekt door in de ziekenboeg te verblijven;
- dat klager zogenaamd in hongerstaking gaat;
- dat klager geen geweten heeft en gewetenloos is;
- “de Nederlandse politiek maakt van mij een moordenaar als u hieraan meewerkt.”
Deze brief is klager om procedurele reden via justitiële autoriteiten ter hand gesteld.
Klager stelt dat beklaagde met (onder meer en met name) de bovenstaande uitlatingen smaad en/of laster heeft gepleegd en dat de zinsnede “de Nederlandse politiek maakt van mij een moordenaar als u hieraan meewerkt” een bedreiging is.
Het hof is in de eerste plaats van oordeel dat enerzijds gelet op de inhoud van de brief en anderzijds gelet op de adressering van de brief aannemelijk is dat beklaagde niet de intentie heeft gehad om ruchtbaarheid aan het geschrevene te geven in de zin van artikel 261 en Pro 262 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is het hof van oordeel dat, gelet op de hele tekst van de brief, het niet zonder meer aannemelijk is te achten dat beklaagde klager heeft willen bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht.
Het hof acht het aannemelijk dat de brief is geschreven uit onvrede en/of gevoelens van machteloosheid die zich niet zelden van slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven of hun nabestaanden meester maken, emoties waarvoor in de verwerkingsfase na dergelijke delicten tot op zekere hoogte plaats moet zijn.
Uit bovenstaande volgt dat, bij gebrek aan bewijs dat beklaagde de door klager bedoelde strafbare feiten heeft gepleegd, de klacht moet worden afgewezen. Op zich valt op voorhand niet uit te sluiten dat eventueel nader onderzoek zou kunnen leiden tot nader bewijs op grond waarvan een vervolging van beklaagde wel tot het door klager gewenste resultaat zou kunnen leiden. Het hof ziet echter geen reden om dergelijk nader onderzoek te gelasten, omdat de ernst van de beweerdelijk door beklaagde gepleegde feiten in geen enkele verhouding staat tot het leed dat haar door klager is toegebracht en vervolging van beklaagde op grond van een emotioneel geschreven brief in een relatief pril rouwproces, naar het oordeel van het hof evident niet opportuun is.
Het beklag zal op die grond worden afgewezen.
Gelet op het vorenstaande kan overeenkomstig het bepaalde bij artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering worden afgezien van het horen van klager in raadkamer.
De beslissing.
Het hof wijst het beklag als kennelijk ongegrond zijnde af.
Aldus gegeven door
mr. J.W. de Ruijter, als voorzitter,
mrs. B.F. de Poorter en F.J.M. Walstock, als raadsheer,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.
op 21 december 2007.