ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2843

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R200600353
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Etten
  • Den Hartog Jager
  • Theuws
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verdeling gemeenschappelijke goederen na echtscheiding

Partijen zijn in 1995 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben twee kinderen. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 januari 2006 de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen vastgesteld conform het verzoek van de man. De vrouw is tegen deze verdeling in hoger beroep gegaan.

In het hoger beroep heeft de vrouw het beroep tegen de echtscheiding ingetrokken, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaart voor dat onderdeel. Het hof merkt op dat de termijn voor inschrijving van de echtscheiding pas vanaf de intrekking van het hoger beroep op 16 februari 2007 is gaan lopen. Over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen hebben partijen overeenstemming bereikt, vastgelegd in een echtscheidingsconvenant van 15 februari 2007.

Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover deze de verdeling van de gemeenschappelijke goederen betreft en bepaalt dat de verdeling zal plaatsvinden conform artikel 3 van Pro het convenant. Het verzoek om de echtscheiding opnieuw uit te spreken wordt afgewezen. De beschikking is uitgesproken op 4 april 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard voor de echtscheiding en omgangsregeling; de verdeling van de gemeenschappelijke goederen wordt vastgesteld conform het echtscheidingsconvenant.

Uitspraak

RD
4 april 2007
Sector civiel recht
Rekestnummer R06/00353
Zaaknummer eerste aanleg 152092/ FA RK 05-4239
GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[X,]
[woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. J.E. Benner,
t e g e n
[Y.],
[woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. A.C.M. van Gool.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 16 januari 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 april 2006, heeft de vrouw verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man verzochte verdeling van de gemeenschappelijke goederen alsnog af te wijzen.
2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 mei 2006, heeft de man verzocht voornoemde beschikking te bekrachtigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een in de plaatsstelling te bevelen indien de vrouw weigerachtig blijft haar medewerking te verlenen aan de verdeling en te bepalen dat de in deze te wijzen beschikking dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte, van degene die tot de rechtshandeling gehouden is.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;
- een brief van de procureur van de vrouw d.d. 24 augustus 2006, met bijlagen;
- een brief van de procureur van de man d.d. 31 augustus 2006, met bijlagen;
- een brief van de advocaat van de vrouw d.d. 9 september 2006;
- een brief van de procureur van de man d.d. 26 januari 2007, met als bijlage een brief van de advocaat van de man d.d. 25 januari 2007;
- een brief van de procureur van de vrouw d.d. 13 februari 2007 met als bijlage een brief van de advocaat van de vrouw d.d. 12 februari 2007;
- een brief van de procureur van de vrouw d.d. 20 februari 2007, met als bijlagen een brief van de advocaat van de vrouw d.d. 16 februari 2007 en een echtscheidingsconvenant, getekend d.d.15 februari 2007;
- een brief van de procureur van de man d.d. 22 februari 2007, met als bijlage een brief van de advocaat van de man d.d. 15 februari 2007.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Partijen zijn op 14 juli 1995 te [huwelijksplaats] met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar]; en
- [B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.
4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de verdeling van de gemeenschappelijke goederen vastgesteld op de door de man verzochte wijze.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en komt daarvan in beroep.
4.3. In haar beroepschrift voert de vrouw een grief aan tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte de verdeling vastgesteld conform de gestelde onderdelen van het verzoekschrift van de man. De vrouw is wel akkoord met het verzoek van de man tot verdeling van de vermogensbestanddelen, maar zij gaat op diverse inhoudelijke punten niet akkoord met het door de man gedane verzoek. De bestreden beschikking moet volgens de vrouw dan ook worden vernietigd.
4.4. In zijn verweerschrift stelt de man dat een grondslag om te komen tot afwijzing van de verzochte verdeling ontbreekt, terwijl door de ontbinding van de gemeenschap nu juist de verdeling dient plaats te vinden. Derhalve komt het hof volgens de man niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door de rechtbank vastgestelde verdeling, maar dient het hof uitsluitend te beoordelen of in deze een verdeling plaats dient te vinden, hetgeen inderdaad het geval is. De man stelt daarom dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden.
4.5. Het hof overweegt het volgende.
4.6. Het appel van de vrouw is mede gericht tegen de omgangsregeling. Grieven tegen de beslissing van de rechtbank op dat punt zijn door haar niet aangevoerd, zodat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4.7. Blijkens de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 16 februari 2007, wordt het hoger beroep ingetrokken, voor zover gericht tegen de door de rechtbank bij bestreden beschikking van 16 januari 2006 uitgesproken echtscheiding. Derhalve zal het hof de vrouw ook ten aanzien van dat punt in haar hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren en de bestreden beschikking in zoverre in stand laten. Het hof merkt op dat de termijn waarbinnen de echtscheiding op verzoek van partijen kan worden ingeschreven is gaan lopen vanaf de datum waarop het hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding is ingetrokken (welke intrekking als daad van berusting moet worden aangemerkt), te weten vanaf 16 februari 2007. Anders dan partijen mogelijk menen, is deze termijn niet verstreken 6 of 9 maanden ná 16 januari 2006, omdat vol appel is ingesteld, nu in het petitum van het beroepschrift vernietiging is gevraagd van de gehele beschikking, dus ook van de echtscheidingsbeslissing. Dat geen grief is gericht tegen de echtscheidingsbeschikking maakt dit niet anders. Bij het verzoek in de brief van 16 februari 2007 om nogmaals de echtscheiding uit te spreken, hebben partijen geen belang.
4.8. Uit voormelde brief d.d. 16 februari 2007, met als bijlage het op 15 februari 2007 door beide partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over onder meer de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.
4.9. Het hof zal beslissen conform het bepaalde in artikel 3. van het convenant.
5. De beslissing
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding en de omgangsregeling;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 16 januari 2006, doch uitsluitend voor zover daarbij de verdeling van de gemeenschappelijke goederen is vastgesteld;
en in zoverre opnieuw rechtdoende;
bepaalt dat verdeling plaats zal vinden conform het in artikel 3 bepaalde Pro van het door partijen overeengekomen en op 15 februari 2007 ondertekende echtscheidingsconvenant, welk convenant aan deze beschikking zal worden gehecht en als hier ingelast dient te worden beschouwd;
wijst af het verzoek om nogmaals de echtscheiding uit te spreken.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Theuws en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.