4.12 [appellanten] heeft het in de diverse gedingstukken over veel fouten van [deskundige 3] in zijn rapport.
Een deel van de door [appellanten] gestelde "fouten" (bijvoorbeeld het niet toepassen van ervaringscijfers van [onderneming]) hangt samen met de door [deskundige 3] gekozen waarderingsmaatstaf. Nu niet is komen vast te staan dat deze maatstaf een andere is dan tussen partijen is afgesproken, behoeft het hof daar niet meer op in te gaan.
Daarnaast heeft [appellanten] nog een aantal fouten van [deskundige 3] genoemd, die los zouden staan van de door [deskundige 3] gehanteerde waarderingsmaatstaf (paragraaf 36 ev. mvgr). Ten dele komen deze verwijten echter toch neer op afwijkingen van de ervaringscijfers van [onderneming] (zie par. 44 mvgr).
Het hof hoeft in het kader van de beweerde zuivere rekenfouten geen belang te hechten aan fouten, die voorkwamen in het conceptrapport, maar die na commentaar van partijen - ook in de visie van [appellanten] - in ieder geval rekenkundig door [deskundige 3] hersteld zijn in zijn definitieve rapport (rekenfout I, paragraaf 59 sub 1 mvgr en paragraaf 51 ev pleitnotitie hoger beroep).
De door [appellanten] gestelde rekenfout II betreft een fout bij de brutering van de goodwill (paragraaf 59 sub 2 ev. mvgr en pag. 19 rapport IAG, prod. 1 mvgr). Hier gaat het volgens de memorie van grieven om een rekenfout ter grootte van E. 96.000,-- in het nadeel van [appellanten] Volgens een brief d.d. 13 november 2006 van drs. [naam 2] (door [appellanten] overgelegd bij pleidooi in hoger beroep) zou er sprake zijn van een door [deskundige 3] gemaakte rekenfout van E. 105.000,-- in het nadeel van [appellanten] en volgens de pleitnota in hoger beroep van [appellanten] (paragraaf 54 ev.) zou het gaan om een rekenfout van E. 87.000,-- (gebaseerd op een brief van dezelfde drs. [naam 2] d.d. 24 november 2006, eveneens overgelegd bij gelegenheid van pleidooi in hoger beroep).
[geïntimeerden] betwist gemotiveerd dat het hier gaat om een rekenfout en heeft daartoe (eveneens bij gelegenheid van pleidooi in hoger beroep) een reactie van drs. [naam 3] van [deskundige 3] in het geding gebracht.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting en voorts gelet op de zeer diverse berekeningen van de omvang van de fout aan de zijde van [appellanten] acht het hof het bestaan van een zuivere rekenfout niet aannemelijk geworden, in ieder geval niet een rekenfout van die omvang dat daarmee onverkorte toepassing van het rapport van [deskundige 3] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is jegens [appellanten]
De in de memorie van grieven als rekenfout inzake "Risico opslag gewijzigd parkeerbeleid" genoemde fout betreft blijkens de toelichting daarop niet een echte rekenfout.
Voorts gaat het bij de door [appellanten] gestelde fouten ten dele om verschil in inzicht, dat nu eenmaal inherent is aan waardebepalingen door deskundigen. Het rapport van IAG (prod. 1 mvgr), dat door [appellanten] in het geding is gebracht om in dit kader haar standpunt te onderbouwen, kan niet als bewijs van haar standpunt dienen. Dit rapport gaat zozeer uit van de door IAG gemaakte interpretatie van de waarderingsgrondslag en daarmee van haar uitleg van de opdracht aan [deskundige 3], dat de conclusies van IAG niet zonder meer voor het bewijs van "fouten" van [deskundige 3] te gebruiken zijn. Immers, niet is komen vast te staan dat deze uitleg van de maatstaf en opdracht overeenkomt met die tussen partijen is afgesproken. Ditzelfde geldt voor de diverse in de gedingstukken aanwezige commentaren [deskundige 1] op het rapport van [deskundige 3].
[appellanten] heeft per saldo niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om zodanige afwijkende meningen/ inzichten van [deskundige 3], dat geen redelijk denkende deskundige deze bij de waardering van een bedrijf zou mogen toepassen. Het hof verwijst in dit kader nog naar de meergenoemde uitspraak van de Raad van Tucht, waarin in onderdeel 4.8 juist op dit aspect wordt ingegaan en de Raad tot de conclusie komt dat niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat in casu sprake is van kennelijk onjuiste waarderingen en/of beoordelingen.
Ook op deze grond kan niet geconcludeerd worden dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellanten] gehouden is aan het oordeel van [deskundige 3] in diens rapport.