ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ6977
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Smeenk-Van der Weijden
- Draijer-Udo
- Vlaardingerbroek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging teruggeleiding kinderen naar België bij gezamenlijk gezag en ongeoorloofde achterhouding
De vader en moeder, beiden met gezamenlijk ouderlijk gezag over hun kinderen, zijn in geschil geraakt over het hoofdverblijf van de kinderen na verhuizing van de vader naar Nederland met de kinderen zonder uitdrukkelijke toestemming van de moeder. De rechtbank Roermond had de teruggeleiding van de kinderen naar België gelast wegens ongeoorloofd niet terugkeren in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV).
De vader stelde dat de moeder impliciet had ingestemd met de verhuizing en dat de kinderen hun hoofdverblijf al bij hem hadden. Het hof oordeelde dat dit niet relevant is, maar dat vaststaat dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in België hadden en dat de moeder niet had ingestemd met een definitief verblijf in Nederland. De uitzonderingsgrond van art. 12 lid 2 HKOV Pro faalt omdat minder dan een jaar was verstreken tussen de achterhouding en het verzoek tot teruggeleiding.
De vader voerde aan dat teruggeleiding het familie- en gezinsleven zou schaden en dat er risico's voor de kinderen zouden zijn bij terugkeer. Het hof verwierp deze gronden omdat de omstandigheden niet voldeden aan de strenge criteria van art. 13 lid 1 sub b HKOV Pro en verwees voor gezags- en verblijfplaatskwesties naar de bevoegde rechter in België.
Het hof hoorde ook de dochter, die aangaf liever bij de vader te blijven, maar dit werd niet als verzet in de zin van het verdrag aangemerkt. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd met de maatregel dat de vader de kinderen uiterlijk 23 december 2006 aan de moeder in België dient terug te geven.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de teruggeleidingsbeschikking en bepaalt dat de vader de kinderen uiterlijk 23 december 2006 aan de moeder in België dient terug te geven.