ECLI:NL:GHSHE:2006:AW4822

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R200400067
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Soest-Van Dijkhuizen
  • Lamers
  • Van Etten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BWWet conflictenrecht namenWet van 15 mei 1987 betreffende de naam en voornamenArt. 8 IVRKArt. 12 EG-Verdrag
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep geslachtsnaamwijziging kinderen met meervoudige nationaliteit en toepasselijk internationaal privaatrecht

De zaak betreft een verzoek tot geslachtsnaamwijziging van twee kinderen met meervoudige nationaliteit (Marokkaans en Belgisch), geboren uit een huwelijk tussen vader en moeder. Na echtscheiding woont moeder met de kinderen en haar nieuwe partner (stiefvader) in Nederland. De rechtbank wees het verzoek toe tot gezamenlijk gezag en naamwijziging naar de stiefvader, maar vader ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof oordeelde dat het internationale privaatrecht van toepassing is van het land waarvan de kinderen de nationaliteit hebben en waarmee zij de sterkste band hebben. Ondanks het langdurige verblijf in Nederland, hebben de kinderen de sterkste band met België, omdat zij de Belgische nationaliteit hebben en het contact met vader en diens familie minimaal is.

Volgens Belgisch recht is de geslachtsnaam een sterke uiting van de afstammingsband en kan deze slechts bij uitzondering en onder gewichtige redenen worden gewijzigd. Het hof vond onvoldoende gewichtige redenen om af te wijken van het beginsel dat de naam overeenkomt met de afstammingsband, vooral omdat het gezamenlijk gezag mogelijk kan eindigen en de identiteit van de kinderen mede gevormd wordt door hun wortels.

Het hof vernietigde daarom de eerdere beschikking voor zover de naam van de kinderen werd gewijzigd van die van vader naar die van stiefvader en wees het verzoek tot naamwijziging af. De kinderen kunnen in het dagelijks leven wel de naam van de stiefvader gebruiken om de gezinseenheid uit te dragen. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot geslachtsnaamwijziging af en vernietigt de eerdere naamswijziging van vader naar stiefvader.

Uitspraak

WG
30 maart 2006
Rekestenkamer
Rekestnummer R200400067E
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Beschikking
In de zaak in hoger beroep van:
[Appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [X.],
procureur mr. J.E. Benner,
t e g e n
[Geintimeerden],
beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna te noemen: [Y.] en [Z.],
procureur mr. Ph.C.M. van der Ven.
Als vervolg op de door dit hof op 2 december 2004 gegeven tussenbeschikking.
6. De beschikking van 2 december 2004
Bij die beschikking heeft het hof overwogen dat in het geval van meervoudige nationaliteit het internationale privaatrecht geldt van het land waarvan de kinderen de nationaliteit hebben en waarmee zij alle omstandigheden in aanmerking genomen de sterkste band hebben. Het hof heeft daarbij vooralsnog geoordeeld dat de kinderen de sterkste band hebben met de Belgische nationaliteit. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om, desgewenst, hieromtrent een standpunt in te nemen, waarna het hof definitief op dit punt zal beslissen.
Voorts heeft het hof, aangezien er in de rapportage van het IJI van 1 juli 2004 geen aandacht is besteed aan het interne Belgische naamrecht in de situatie waarbij geslachtsnaamwijziging wordt gevraagd in samenhang met een verzoek inzake het gezag over de kinderen als bedoeld in art. 1:253t (Nederlands) BW, het noodzakelijk geacht een aantal op de onderhavige casus toegespitste vragen aan het IJI voor te leggen. Het hof heeft partijen daarbij de gelegenheid geboden opmerkingen te maken over de door het hof geformuleerde vraagstelling, alvorens de vragen voor te leggen aan het IJI. Daarnaast heeft het hof partijen de gelegenheid geboden te reageren op de rapportage van het IJI.
Het hof heeft de verdere behandeling van de zaak in afwachting van het bovenstaande aangehouden.
7. De verdere loop van de procedure
Het hof heeft nadien kennis genomen van de inhoud van:
- de brief van de advocaat van [Y.] en [Z.] d.d. 10 december 2004;
- de brief met als bijlage de rapportage van het IJI d.d. 19 december 2005;
- de brief van de advocaat van [X.] d.d. 4 januari 2006;
- de brief met bijlage van de procureur van [Y.] en [Z.] d.d. 9 januari 2006.
8. De beoordeling
8.1. [Y.] en [Z.] hebben bij de brief van hun advocaat van 10 december 2004 gesteld dat een rechtskeuze voor het Nederlandse recht in de onderhavige zaak wellicht tot de mogelijkheden behoort, aangezien [dochter] en [zoon] sedert zeer geruime tijd en nagenoeg onafgebroken in Nederland verblijven, zodat de kinderen door hun woonplaats in Nederland de sterkste banden hebben met de Nederlandse staat en wetgeving. Ter onderbouwing hiervan hebben [Y.] en [Z.] gewezen op het arrest García Avello (HvJ EG 2 oktober 2003, zaak C-148/02) en de thans bij het Hof van Justitie aanhangige zaak Grundkin Paul (C-96/04).
8.1.1. In de tussenbeschikking van 2 december 2004 heeft het hof in rechtsoverweging 4.10. reeds overwogen dat het, nu de kinderen een meervoudige nationaliteit hebben en het CIEC-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op geslachtsnamen en voornamen (hierna: het CIEC-Verdrag) daarvoor geen regeling kent, zal aanknopen bij de Nederlandse regeling van het internationale privaatrecht in de Wet Conflictenrecht Namen (hierna: de WCN), welke regeling inhoudt dat ingeval van meervoudige nationaliteit, het recht geldt van het land waarvan de betrokken persoon de nationaliteit heeft én waarmee hij of zij alle omstandigheden in aanmerking genomen de sterkste band heeft. Het hof heeft daarbij vooralsnog geoordeeld dat de kinderen de sterkste band hebben met de Belgische nationaliteit, maar heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich hieromtrent uit te laten. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat, ongeacht de band die de kinderen met Nederland hebben, het Nederlandse recht in de onderhavige zaak niet van toepassing kan zijn, aangezien de kinderen niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.
8.1.2. Overigens kunnen naar het oordeel van het hof de door [Y.] en [Z.] aangehaalde zaken van het Hof van Justitie daar geen verandering in brengen. Het arrest García Avello betrof een verzoek tot geslachtsnaamwijziging van een kind met de nationaliteit van twee lidstaten, terwijl de kinderen in de onderhavige zaak wel een meervoudige nationaliteit hebben, maar slechts de nationaliteit van één lidstaat, te weten België. De door het arrest gecreëerde keuzemogelijkheid voor het recht van één van de twee lidstaten waarvan de kinderen de nationaliteit hebben, kan er naar het oordeel van het hof dan ook niet toe leiden dat het Nederlandse recht wordt toegepast in de onderhavige zaak.
Voorts is aan het hof uit de rapportage van het IJI gebleken dat hoewel op grond van de conclusie van AG Jacobs bij de zaak Grundkin Paul wellicht een rechtskeuze mogelijk moet worden geacht, een dergelijke keuze is strijd zou zijn met het Nederlands internationaal privaatrecht. Daarnaast draait het in de zaak Grundkin Paul om een keuze tussen het recht dat op grond van het woonplaatsbeginsel van toepassing is en het recht dat op grond van nationaliteit van toepassing is, terwijl het Nederlandse internationaal privaatrecht evenals het Belgische en het Marokkaanse uitgaat van de toepasselijkheid van het recht van de nationaliteit van de betrokkene, zodat er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake is van een met de zaak Grundkin Paul vergelijkbare keuze.
8.1.3. Aangezien noch namens [Y.] en [Z.], noch namens [X.] is gesteld dat de kinderen in plaats van met de Belgische nationaliteit de sterkste band zouden hebben met de Marokkaanse nationaliteit, bevestigt het hof zijn eerdere –destijds- voorlopige oordeel dat de kinderen de sterkste band hebben met de Belgische nationaliteit, zodat op het onderhavige verzoek tot geslachtsnaamwijziging naar het oordeel van het hof definitief het Belgisch recht van toepassing is.
8.2. Zoals reeds in rechtsoverweging 4.7. van de tussenbeschikking van 2 december 2004 is overwogen blijkt uit de rapportage van het IJI van 1 juli 2004 dat de nationaliteit in het Belgisch internationaal privaatrecht het uitgangspunt vormt ter bepaling van het toepasselijke recht. In geval van meervoudige nationaliteit wordt op grond van het Belgische Burgerlijk Wetboek de Belgische nationaliteit als effectieve nationaliteit beschouwd. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 8.1.2. overwogen brengt het arrest García Avello daar naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen verandering in. Op grond van de Belgische nationaliteit van de kinderen is dan ook het Belgische naamrecht in casu van toepassing, aangezien de kinderen wel een meervoudige nationaliteit hebben, maar slechts de nationaliteit van een één lidstaat, te weten België.
8.3. In aanvulling op de door het hof op de onderhavige casus toegespitste en aan het IJI voorgelegde vragen is namens [Y.] en [Z.] verzocht bij de beantwoording van die vragen art. 12 en Pro art. 17 EG Pro-Verdrag en art. 8 Internationaal Pro Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) te betrekken, alsmede het arrest García Avello en de zaak Grundkin Paul.
8.4. Bij de brief van 19 december 2005 heeft het IJI haar rapportage aan het hof toegezonden. Uit deze rapportage blijkt, verkort weergegeven, het volgende.
Met betrekking tot de eerste door het hof geformuleerde vraag.
Naar Belgisch recht kan het ouderlijk gezag slechts worden gevestigd ten aanzien van personen die een afstammingsband hebben met het kind. Het Belgisch recht kent geen bepaling op grond waarvan een derde samen met een biologisch ouder om ouderlijk gezag kan vragen. Het Belgisch recht voorziet dan ook niet in een equivalent van het Nederlandse art. 1:253t BW.
Met betrekking tot de derde door het hof geformuleerde vraag.
In de onderhavige zaak dient de beoordeling van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam plaats te vinden volgens de Wet van 15 mei 1987 betreffende de naam en voornamen (hierna: de Wet van 15 mei 1987).
Met betrekking tot de vierde door het hof geformuleerde vraag.
Overeenkomstig de Wet van 15 mei 1987 wordt een naamsverandering slechts uitzonderlijk toegestaan op voorwaarde dat een verzoek is gesteund op ernstige redenen. Bovendien mag de nieuwe gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet schaden. In het Belgisch recht is de naam in beginsel onveranderlijk. De verandering van naam is geen recht maar enkel een gunst. Het IJI merkt daarbij op dat zij geen Belgische rechtspraak heeft gevonden, waarbij de geslachtsnaam van een kind is gewijzigd van de naam van de juridische vader in de naam van de stiefvader.
8.5.1. Onder verwijzing naar het bovenstaande overweegt het hof dat zoals in het Belgische recht het ouderlijk gezag uitsluitend is voorbehouden aan die personen die een afstammingsband hebben met het kind, ook de geslachtsnaam van een kind in het Belgisch recht een sterke uiting van de afstammingsband vormt. In het Belgisch recht kan slechts bij uitzondering en onder gewichtige redenen aan een verzoek tot geslachtsnaamwijziging worden voldaan. Gelet op het feit dat er kennelijk geen Belgische rechtspraak is waarbij de geslachtsnaam van een kind is gewijzigd van de geslachtsnaam van de juridische vader in de geslachtsnaam van de stiefvader, is het hof van oordeel dat in het Belgisch rechtsstelsel (nog) terughoudender met een verzoek tot geslachtsnaamwijziging wordt omgegaan dan binnen het Nederlandse rechtsstelsel het geval is.
8.5.2. [Y.] en [Z.] hebben ter onderbouwing van het verzoek tot geslachtsnaamwijziging aangevoerd dat er reeds lange tijd geen contact meer bestaat tussen [X.] en [dochter] en [zoon], terwijl de kinderen al lang samen in één gezin met [Z.] wonen, zodat de gewijzigde geslachtsnaam zou aansluiten bij de feitelijke gezinssituatie. Daarnaast hebben de kinderen volgens de stelling van [Y.] en [Z.] te kennen gegeven graag de naam “[Z.]” te willen dragen, mede omdat zij hiermee de eenheid van het gezin en de verbondenheid met hun jongere broertje die de geslachtsnaam “[Z.]” draagt, willen uitdragen. Het hof merkt daarbij op dat [dochter] en [zoon] het bovenstaande belang ook tijdens het verhoor voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep van 15 april 2004 bij het hof naar voren hebben gebracht.
8.5.3. Naar het oordeel van het hof vormen de argumenten van [Y.] en [Z.] echter onvoldoende gewichtige redenen om af te wijken van het beginsel dat de geslachtsnaam overeenstemt met de afstammingsband. Dit geldt met name in het onderhavige geval, waarin het verzoek ertoe strekt de geslachtsnaam van de kinderen te wijzigen in die van de gezagsdragende nieuwe partner van [Y.], te weten [Z.]. Niet ondenkbaar moet immers worden geacht dat het gezamenlijk gezag voor het einde van de minderjarigheid wordt beëindigd en [Y.] wederom alleen met het ouderlijk gezag wordt belast. Hoewel de identiteit van de kinderen mede wordt gevormd door de verbondenheid met degene die voor hen zorgen, is een ander belangrijk aspect van de identiteit gelegen in de wortels van het kind. Dit geldt in dit geval met name, nu uit de geslachtsnaam van de kinderen hun deels Marokkaanse oorsprong blijkt. Niets weerhoudt de kinderen er bovendien van om in het dagelijks leven waar mogelijk de naam “[Z.]” te voeren teneinde ook naar buiten toe de eenheid van het gezin uit te dragen, hetgeen zij - naar het hof is gebleken- ook doen. Daarvoor is het niet nodig dat een juridische wijziging van de geslachtsnaam plaatsvindt.
Het hof ziet niet in op welke wijze het door [Y.] en [Z.] aangevoerde art. 8 IVRK Pro tot een andersluidende beslissing zou moeten leiden, aangezien die bepaling juist ziet op het recht van het kind zijn of haar identiteit, met inbegrip van de naam, te behouden.
8.5.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van [X.]. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen voor zover de geslachtsnaam van [dochter] en [zoon] daarbij is gewijzigd van “[X.]” in “[Z.]” en opnieuw rechtdoende het daartoe strekkende verzoek van [Y.] en [Z.] alsnog afwijzen. Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep compenseren, nu [Y.] en [X.] gewezen echtgenoten zijn.
9. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 10 november 2003 voor zover de geslachtsnaam van:
- [dochter], geboren te [geboortejaar] en
- [zoon], geboren te [geboortejaar],
daarbij is gewijzigd van “[X.]” in “[Z.]”;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het inleidende verzoek van [Y.] en [Z.] tot wijziging van de geslachtsnaam van voormelde kinderen;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
compenseert de kosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Soest-Van Dijkhuizen, Lamers en Van Etten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 maart 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.