ECLI:NL:GHSHE:2006:2480

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 november 2006
Publicatiedatum
24 oktober 2022
Zaaknummer
103.003.572
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van publicatie over faillissement en misstanden van bedrijf X

In deze zaak, die voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch werd behandeld, stond de onrechtmatigheid van een voorgenomen publicatie door de Limburger B.V. centraal. De publicatie betrof een artikel over de misstanden die hebben geleid tot het faillissement van bedrijf X, waarvan de directeuren, [geïntimeerden], een verbod tot publicatie vorderden in kort geding. De voorzieningenrechter had in eerste aanleg het verbod toegewezen, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen van de directeuren af. Het hof oordeelde dat de beoogde publicatie niet onrechtmatig was, waarbij het belang van vrije meningsuiting zwaarder woog dan het belang van de directeuren om niet negatief in de pers te komen. Het hof benadrukte dat de publicatie betrekking had op een maatschappelijk relevant onderwerp, namelijk de verdwenen pensioengelden en de financiële misstanden binnen het bedrijf. De directeuren hadden niet overtuigend aangetoond dat de publicatie hen op lichtvaardige wijze verdacht maakte. Het hof concludeerde dat de publicatie een belangrijke waakhondfunctie vervulde en dat de resultaten van lopende onderzoeken niet hoefden te worden afgewacht. Uiteindelijk werd het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en werden de vorderingen van de directeuren afgewezen, waarbij zij ook in de proceskosten werden veroordeeld.

Uitspraak

typ. [naam]
rolnr. KG C0600664/MA
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 1s-HERTOGENBOSCH,
derde kamer, van 14 november 2006, gewezen in de zaak van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprake­ lijkheid
UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE LIMBURGER B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[appellant 1] ,
wonende te [woonplaats]
3.
[appellant 2],
wonende te [woonplaats] , appellanten bij exploot van dagvaarding van
4 mei 2006,
procureur: mr. J.E. Benner,
tegen:

1.[geïntimeerde 1] ,

2.[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] , België, geïntimeerden bij gemeld exploot, procureur: mr. A.P.P.M. van Beurden,
op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 7 april 2006 tussen appellanten - hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud aangeduid als de Limburger B.V. c.s., dan wel ieder afzonderlijk als de Limburger B.V., [appellant 1] en [appellant 2]
- als gedaagden en geïntimeerden - hierna aangeduid als [geïntimeerden] - als eisers.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 109532/KG ZA 06- 109)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij dagvaarding in hoger beroep heeft de Limburger
B.V. c.s., onder overlegging van drie producties, negen grieven (aangeduid met de letters a tot en met i) aange­ voerd en geconcludeerd als in die memorie nader is aange­ geven.
2.2.
Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] , onder overlegging van zes producties, de grieven
bestreden en geconcludeerd als in die memorie nader aange­ geven.
2.3.
Daarop heeft de Limburger B.V. c.s. bij akte houdende overlegging producties drie producties in het geding ge­ bracht, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte heb­ ben genomen.
2.4.
Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3.De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de me­ morie van grieven.
4. De beoordeling
4.1.
In overweging 2 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Bij memorie van grieven (sub 6.1) heeft de Limburger B.V. c.s. aangegeven dat zij voornemens was om in de krant van 8 april 2006 de artikelen te plaatsen die als productie 1 en 2 bij inleidende dagvaarding zijn overgelegd (waarbij in het als productie 1 overgelegde ar­ tikel uiteindelijk nog twee zinnen zijn geschrapt; prod. B dagv. h.b.). Deze artikelen zijn respectievelijk getiteld: "Pensioenpremies [XX] weg" en "De beerput van [XX] ". Volgens de Limburger B.V. c.s. maakten de ruwe concepten die door [geïntimeerden] in eerste aanleg zijn over­ gelegd als productie 3 tot en met 5 bij de inleidende dag­ vaarding, naar het hof begrijpt ook ten tijde van de be­ handeling in eerste aanleg, geen deel meer uit van daad­ werkelijk voorgenomen publicaties. Deze concept-artikelen dragen als titel: "Pensioenpremies Benedik weg" (prod. 3), "De beerput van [XX] " (prod. 4) en "Meer over nep-fac­ turering, interne bedrijfsspionage, miljoenentransacties en de misleiding van de Commerzbank" (prod. 5). Het hof begrijpt dat de Limburger B.V. c.s. aldus een (impliciete) grief heeft gericht tegen de vaststelling in rechtsover­ weging 2.2. dat de Limburger B.V. c.s. voornemens was om in de op 8 april 2006 volgende week nieuwe artikelen te plaatsen waarvan het onderwerp zal zijn "De miljoenen van de Commerzbank" en "Gesjoemel met vlees" en dat deze arti­ kelen tegelijkertijd ook zouden worden geplaatst in het Limburgs Dagblad. Het hof zal een nieuwe samenvatting van de feiten en een omschrijving van het geschil geven. Het enkele feit dat de (impliciete) grief slaagt, brengt ech­ ter nog niet mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
4.2.
Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
4.2.1.
[geïntimeerden] zijn directeur geweest van een aantal B.V.'s, hierna gezamenlijk aan te duiden als [XX] , waarvan in juli 2005 het faillissement is uit­ gesproken.
4.2.2.
De Limburger B.V. is een uitgeversmaatschappij die het dagblad De Limburger uitgeeft. De Limburger B.V. is een volledige dochter van Media Groep Limburg B.V. Media Groep Limburg B.V. is tevens aandeelhoudster van Uitge­ versmaatschappij Limburgs Dagblad B.V., dat het dagblad Limburgs Dagblad uitgeeft. [appellant 2] is waarnemend hoofdre­ dacteur van Dagblad De Limburger. [appellant 1] is verslaggever in dienst van Media Groep Limburg B.V.
4.2.3.
Op initiatief van [geïntimeerden] , die hadden vernomen van het voornemen tot publicatie van artikelen, heeft hierover op 27 maart 2006 een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerden] , bijgestaan door hun [communicatie-adviseur] , [appellant 1] en [de verslaggever] . In dat kader hebben [geïntimeerden] aan de verslag­ gevers een document overhandigd {prod. 8 inl. dagv.) met een weergave van hun visie op de historie en de ondergang van [XX] . Naar aanleiding van die bespreking zijn de eerste concepten van de artikelen aan [geïntimeerden] toegezonden voor commentaar. Het hof begrijpt dat het hier gaat om de artikelen die bij inleidende dagvaarding als producties 3, 4 en 5 zijn overgelegd. De raadsman van [geïntimeerden] heeft vervolgens de Limburger B.V.
c.s. bij brief van 30 maart 2006 {prod. 6 inl. dagv.) ge­ sommeerd om de 'voorgenomen publicaties' niet te plaatsen. Op 5 april 2006 hebben [geïntimeerden] een aangepas­ te versie van twee artikelen ontvangen voor commentaar. Het gaat hier om de artikelen "Pensioenpremies [XX] weg" en "De beerput van [XX] " {prod. 1 en 2 inl. dagv.) De Limburger B.V. c.s. waren voornemens om deze artikelen, met een kleine wijziging, op 8 april 2006 te plaatsen in de beide hiervoor genoemde kranten.
4.2.4.
Bij dagvaarding d.d. 6 april 2006 hebben [geïntimeerden] de Limburger B.V. c.s. in kort geding gedag­ vaard en, na wijziging van eis, vorderen zij dat bij von­ nis, uitvoerbaar bij voorraad,
1. de Limburger B.V. c.s. hoofdelijk wordt verboden om de publicaties "Pensioenpremies [XX] weg" en "De beerput van [XX] " en "De miljoenen van de Com­ merzbank en gesjoemel met vlees" in de komende {zaterdag)editie van of elders in de Limburger te {doen) plaatsen of op enige andere wijze te {doen)
publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na beteke­ ning van het te dezen te wijzen vonnis, dit alles op straffe van verbeurt van een onmiddellijk opeis­ bare dwangsom van€ 50.000,-- althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan de Limburger B.V. c.s.;
2. de Limburger B.V. c.s. hoofdelijk wordt verboden om over deze kort geding procedure - hetgeen ter zit­ ting in kort geding aan de orde is gekomen, alsook de besprekingen die in het kader van deze procedure zijn gevoerd, de correspondentie in dat verband en de (inhoud van de) processtukken - publicaties te (doen) verschijnen in de komende (zaterdag)editie van of elders in de Limburger of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van€ 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter, in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan de Limburger B.V. c.s.; en subsi­ diair;
3. [appellant 1] wordt veroordeeld om de door hem voor publica­ tie aan de Limburger B.V. aangeboden artikelen in
te trekken en deze artikelen niet opnieuw voor pu­ blicatie aan de Limburger B.V, en [appellant 2] dan wel derden aan te bieden dan nadat de artikelen zodanig zijn aangepast dat de visie van [geïntimeerden] over de gang van zaken binnen [XX] en de in de artikelen aan de orde gestelde kwesties juist en volledig zijn verwoord, zulks met onmiddellijke in­ gang, althans direct na het betekenen van het in dezen te wijzen vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van€ 50.000,--, althans een door de voorzieningen­ rechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [appellant 1] ;
4. de Limburger B.V. c.s. hoofdelijk worden veroor- deeld in de kosten van de procedure.
4.2.5.
Bij vonnis van 7 april 2006, waarvan de schrifte­ lijke weergave is afgegeven op 13 april 2006, heeft de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd:
1. de Limburger B.V. c.s. hoofdelijk verboden om de pu­ blicaties "Pensioenpremies [XX] weg" en "De beer­ put van [XX] " en "De miljoenen van de Commerzbank en gesjoemel met vlees" in de komende (zaterdag)edi­ tie van of elders in de Limburger te (doen) plaatsen of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellij­ ke ingang althans direct na betekening van dit von­ nis, dit alles op straffe van verbeurte van een on­ middellijk opeisbare dwangsom van€ 50.000,-- voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van dit vonnis aan de Limburger B.V.
c.s.;
2. de Limburger B.V. c.s. hoofdelijk verboden om over deze kort geding procedure - hetgeen ter zitting in kort geding aan de orde is gekomen, alsook de bespre­ kingen die in het kader van deze procedure zijn ge­ voerd, de correspondentie in dat verband en de (in­ houd van de) processtukken - publicaties te (doen) verschijnen in de komende (zaterdag) editie van of elders in de Limburger of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na betekening van dit vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van
€ 50.000,-- voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van dit vonnis aan de Limburger B.V.
c.s.;
3. de Limburger B.V. c.s. veroordeeld in de proceskos­ ten.
4.3.
De Limburger B.V. c.s. is het niet eens met het op 7 april 2006 door de voorzieningenrechter gewezen vonnis en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen. In de kern ligt (ook) in hoger beroep ter beantwoording voor de vraag of de voorgenomen krantenpublicaties jegens [geïntimeerden] onrechtmatig zijn. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen, gaat het hier (uit­ sluitend) om de artikelen "Pensioenpremies [XX] weg" en "De beerput van [XX] ".
4.4.
De Limburger B.V. c.s., gedaagden in eerste aanleg, zijn gevestigd in Nederland. De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd het geschil te beoordelen.
4.5.
De onderhavige casus heeft internationale aspecten. [geïntimeerden] zijn immers in België woonachtig. Gelet op het bepaalde in art. 3, lid 1 van de Wet conflic­ tenrecht onrechtmatige daad is in casu Nederlands recht van toepassing.
4.6.
Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslis­ send is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoed­ eisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht (vgl. o.a. HR 30-6-2000, NJ 2001, 389, HR 29-11-2003, NJ 2003, 78). Naar het oordeel
van het hof is dit spoedeisend belang aanwezig. De Limbur­ ger B.V. c.s. heeft bij dagvaarding in hoger beroep (sub 8.2) immers gesteld dat de concept-artikelen, zoals die als producties 1 en 2 bij de inleidende dagvaarding zijn overgelegd, 'niet meer letter voor letter in de krant zul­ len verschijnen', maar dat dat natuurlijk niet wil zeggen dat de inhoud van die concept-artikelen achterhaald is.
Het hof begrijpt daaruit dat de Limburger B.V. c.s. nog steeds en op zo kort mogelijke termijn voornemens is om artikelen te publiceren met een inhoud die in essentie overeenkomt met de beide als productie 1 en 2 bij inlei­ dende dagvaarding overgelegde concept-artikelen en voor­ zover aangepast als in productie B, overgelegd bij dag­ vaarding in hoger beroep. In hoger beroep is derhalve het spoedeisend belang aanwezig.
4.7.1.
Rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis luidt als volgt:
'De beantwoording van de vraag of de voorgenomen krantenpublicaties onrechtmatig zijn, ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrij­ heid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hierbij staan derhalve twee hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdacht­ makingen; aan de andere kant het belang dat men zich (in het openbaar) kritisch, informerend, opiniërend, of waarschuwend moet kunnen uitla­ ten, bijvoorbeeld om te voorkomen dat door een gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan, de zogenaamde "waakhondfunctie" van de informa­ tiemedia. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. De juist­ heid van de aantijgingen, althans de feitelijke grondslag en de inkle­ ding daarvan, vormt onder meer een omstandigheid die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen dient te worden betrokken.'
4.7.2.
Deze overweging van de rechtbank is in hoger beroep niet door een grief bestreden en vormt ook in appel het uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of de voorge­ nomen krantenpublicaties "Pensioenpremies [XX] weg" (prod. 1 inl. dagv. en prod. B dagv h.b.) en "De beerput van [XX] " (prod. 2 inl. dagv.) jegens [geïntimeerden] onrechtmatig zijn. De Limburger B.V. c.s. hebben in dit verband negen grieven opgeworpen, die het hof hier­ na gezamenlijk zal behandelen. Waar nodig zal op de grie­ ven afzonderlijk worden ingegaan.
Artikel "Pensioenpremies [XX] weg11
4.8.1.
Blijkens het door [appellant 1] (appellant sub 2) geschreven (concept-)artikel, waarvan de subkop luidt: "Fiod doet vooronderzoek naar faillissement vleesverwerker [locatie] ", heeft het inmiddels failliete vleesverwerkend be­ drijf [XX] uit [plaats] volgens bronnen zeker ander­ half jaar geen pensioenpremies voor het personeel betaald, dit terwijl in 2004 en 2005 de premies wel werden ingehou­ den op het salaris van de personeelsleden. Blijkens het artikel zijn voorts in 2003 en ook in 2004 en 2005 grote bedragen (hoger dan voorheen) gestort op de pensioen-BV's van [geïntimeerden] en explodeerden de geld- en goe­ derenstromen tussen [XX] Landgraaf en de Belgische zus­ terbedrijven van enkele tonnen in 2002 naar 6 miljoen euro in 2003 en 10 miljoen euro in 2004.
4.8.2.
Voor het antwoord op de vraag of voormeld artikel, waarvan de publicatie wordt beoogd, onrechtmatig is jegens [geïntimeerden] , acht het hof de volgende omstandig­ heden van belang.
4.8.3.
In de eerste plaats is het hof van oordeel dat uit de aard der zaak het thema 'verdwenen pensioengelden' een misstand betreft die de samenleving raakt, zeker nu het blijkens het artikel om circa 200 personeelsleden zou gaan, welk aantal door [geïntimeerden] niet gemoti­ veerd is bestreden. Dat mogelijk, zoals [geïntimeerden] stellen
(MvAsub 57), veel werknemers lid zijn van een vakbond, maakt dit oordeel niet anders.
4.8.4.
Voorts acht het hof relevant dat op diverse plaat­ sen in het artikel de bronnen worden vermeld waarop de Limburger B.V. c.s. zich baseert. In de eerste alinea wordt vermeld dat de Fiod een vooronderzoek naar het fail­ lissement is gestart, terwijl in dezelfde alinea melding wordt gemaakt van mededelingen van personeelsleden, de uitkeringsinstantie UWV en de pensioenverzekeraar Aegon. Blijkens de derde en vierde alinea werden inlichtingen ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en bij het functio­ neel parket. De laatste instantie bevestigde dat de Fiod een vooronderzoek was gestart in de zaak [XX] , maar de woordvoerster wilde niet ingaan 'op de inhoud en de aan­ leiding van het onderzoek'. In de vijfde alinea wordt we­ derom het UWV als bron vermeld, voorts worden de jaarreke­ ningen van [XX] en een (anonieme) accountant als bron opgevoerd. In de zevende alinea worden documenten in het bezit van de krant vermeld, volgens welke de directeuren van [XX] in 2002 werden beschuldigd van oplichting van huisbankier Fortis, terwijl ook in de negende en slotali­ nea van het artikel, waar het gaat over de geld- en goe-
derenstromen tussen [XX] [locatie] en de Belgische zus­ terbedrijven, wordt verwezen naar gegevens in het bezit van de krant. Ten slotte wordt in de achtste alinea nog de faillissementscurator mr. Udo als bron aangehaald.
4.8.5.
Afgezien van deze bronvermeldingen wordt in het (concept-)artikel op diverse plaatsen melding gemaakt van de andersluidende visie van [geïntimeerden] . In de eerste alinea wordt aangegeven dat [geïntimeerden] zeggen er niet van op de hoogte te zijn dat een bedrag van circa één miljoen euro aan pensioengelden niet is uitbe­ taald. Verder wordt in de achtste alinea één van de beide broers geciteerd. J. Benedik (geintimeerde sub 1) zegt daar het volgende:
'We hebben alles op alles gezet om te overleven. En daarin zijn we heel erg ver gegaan. Maar we hebben niets illegaals gedaan.'
Even verderop wordt nog vermeld dat volgens [geïntimeerden] 'nooit één euro illegaal naar België [hof: is] ge­ gaan'. Dat de standpunten van [geïntimeerden] aldus niet of niet juist zouden zijn weergegeven, is door hen niet (gemotiveerd) gesteld.
4.8.6.
Ten slotte acht het hof relevant dat ook [geïntimeerden] (MvA sub 24) zèlf melding maken van een vor­ dering terzake achterstallige pensioenpremies van de pen­ sioenverzekeraar Aegon; een vordering die [geïntimeerden] overigens betwisten.
4.8.7.
Gelet op alle omstandigheden van het geval, in on­ derlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er in casu geen sprake van is dat [geïntimeerden] op lichtvaardige wijze verdacht worden gemaakt. Het belang van [geïntimeerden] om niet, in elk geval niet nega­ tief, in de pers te komen moet wijken voor het belang bij, kort gezegd, een vrije meningsuiting (zie art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - EVRM-) waardoor misstanden in dit geval, kort samengevat, het volgens de Limburger B.V.
c.s. niet afgedragen zijn van pensioengelden, aan de kaak kunnen worden gesteld. De resultaten van onderzoeken van de curatoren en de Fiod, waarvan voorshands in elk geval niet duidelijk is wanneer die zullen zijn afgerond en/of in hoeverre die relevant zijn, behoeven niet te worden af­ gewacht. [geïntimeerden] betwisten weliswaar de fei­ telijke juistheid van de door de Limburger B.V. c.s. ver­ tolkte standpunten, maar het gaat in het bewuste artikel in elk geval om een gedocumenteerde interpretatie van de feiten en de Limburger B.V. c.s. hebben, door de voormelde weergave van de standpunten van [geïntimeerden] , voldoende melding gemaakt van de op een andersluidende in-
terpretatie van de feiten gebaseerde mening van [geïntimeerden] . Uit het voorgaande volgt dat de beoogde krantenpublicatie "Pensioenpremies [XX] weg" jegens [geïntimeerden] voorshands niet onrechtmatig is. In zo­ verre falen de opgeworpen grieven dan ook.
11De beerput van [XX]
4.9.1.
Volgens dit (concept-)artikel was er, toen in augustus 2005 het doek viel voor [XX] uit [plaats] , 'een gapend gat van ongeveer 45 miljoen euro. Volgens di­ recteuren [geïntimeerden] ligt de oorzaak buiten het bedrijf. Ex-medewerkers en zakencontacten denken daar an­ ders over en trekken de beerput open', aldus de eerste alinea van de concept-publicatie.
4.9.2.
Voor het antwoord op de vraag of deze beoogde kran­ tenpublicatie jegens [geïntimeerden] al dan niet on­ rechtmatig is, acht het hof de volgende omstandigheden re­ levant.
4.9.3.
Allereerst is het hof van oordeel dat het onderwerp van het betreffende artikel, kort gezegd, de vraag waar­ door het faillissement van [XX] uit [plaats] werd ver­ oorzaakt, een thema is dat, gelet op de omvang van de on­ derneming en de gevolgen die haar faillissement dientenge­ volge voor anderen heeft gehad, nog steeds een misstand betreft die de samenleving raakt.
4.9.4.
Voorts acht het hof (ook hier) relevant dat op di­ verse plaatsen in het concept-artikel de bronnen worden vermeld waarop de Limburger B.V. c.s. zich baseert en dat die bronnen op een aantal plaatsen ook worden geciteerd. Zo wordt melding gemaakt van oud-medewerkers, waarvan som­ migen met de voornamen [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] worden aangeduid en worden zij ook een aantal malen geciteerd (bijvoorbeeld: [persoon B] op pagina 2 en [persoon D] op pagina 3). Ook wordt een Italiaanse tussenhandelaar in de vleessector met de naam [persoon E] aangehaald. In het artikel wordt verder het relaas vermeld van de oud-medewerker [persoon F] die op het vliegveld van [plaats] een bedrag van ongeveer 200.000 gulden in Franse francs van deze [persoon E] overhandigd heeft gekregen en die dit bedrag vervolgens aan zijn baas [geïntimeerde 1] (geïntimeerde sub 1) heeft overhandigd. [persoon E] wordt vervolgens in het artikel geciteerd als hij, geconfronteerd met de geldvluchten, als volgt ant­ woordt:
'Ik weet niet wat u bedoelt. Ja, dat is misschien één keer gebeurd, maar ik wil daar niet aan de telefoon over praten.'
Ook andere bronnen worden vermeld. De woordvoerster van het functioneel parket, [persoon G] , bevestigt volgens het ar-
tikel dat de Fiod een vooronderzoek is begonnen in de zaak [XX] , maar wil niet ingaan op de inhoud en aanleiding van dat onderzoek. De jaarrekening over 2002, die volgens het artikel pas in oktober 2004 werd gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, wordt vermeld en ook de accountant die in 2002 de jaarrekening controleerde, wordt geciteerd. Deze accountant gaf 'geen oordeel [...] omtrent de ge­ trouwheid van de jaarrekening als geheel', volgens het ar­ tikel vanwege de administratieve chaos bij [XX] . Ook wordt geciteerd uit brieven van 31 januari 2002 en
26 februari 2002 die Fortis als toenmalige huisbankier aan [XX] te [plaats] schreef. De brief van 31 januari 2002, door de Limburger B.V. c.s. overgelegd als productie C bij dagvaarding in hoger beroep, was volgens het artikel geschreven nadat op basis van een rekening van [XX] van 1,6 miljoen euro ingediend vanwege vlees dat nooit was verkocht, Fortis een voorschot had verstrekt. Het citaat luidt als volgt:
'Indien wij hetgeen ten aanzien van deze facturatie gepasseerd is, concreet bij de naam noemen, dan komen wij op het terrein van het wet­ boek van Strafrecht en wel artikel 326 waarin het delict Oplichting is bepaald. Een en ander is voor ons dan ook de aanleiding geweest om thans definitief het vertrouwen in u als directie op te zeggen.'
Op 26 februari 2002 stuurt Fortis blijkens het artikel weer een brief naar [XX] . In het artikel wordt uit die brief als volgt geciteerd:
'Fortis Commercial Finance nv is geconfronteerd met een fors bedrag aan fake facturatie, waardoor wij thans in de kredietlijnen een over­ schrijding administreren ten bedrage van ongeveer 2,5 miljoen (zeggen twee en een half miljoen Euro!!!) Bij directe invordering van dat be­ drag is een faillissement van het bedrijf onafwendbaar hetgeen, ook gelet op de belangen van de werknemers, de andere crediteuren en gelet op de saneringsronde in de sector, niet wenselijk is.'
Blijkens het artikel zijn [geïntimeerden] vervolgens onder druk van Fortis afgetreden, hetgeen [geïntimeerden] op hun beurt overigens ook erkennen (MvA sub 29).
4.9.5.
Ook in de publicatie "De beerput van [XX] " wordt op verschillende plaatsen melding gemaakt van het stand­ punt van [geïntimeerden] . In de eerste alinea (zie r.o. 4.9.1) wordt al gemeld dat volgens de directeuren, [geïntimeerden] , de oorzaak van het gat van circa 45 miljoen euro buiten het bedrijf ligt. Op pagina 2 van het concept-artikel wordt een alinea gewijd aan het standpunt van [geïntimeerden] naar aanleiding van het relaas over de geldvluchten:
' "Niets aan de hand", is [geïntimeerde 1] [hof: geïntimeerde sub 1] reactie. [persoon E] heeft hem vlak voor het gesprek ingelicht dat hij contact heeft gehad met deze krant. "Het klopt dat we regelmatig geld gingen halen bij [persoon E] . Hij was onze tussenpersoon in Italië. In landen als Italië en Griekenland gaat niets zonder zwart geld." Volgens [XX] werd het geld van [persoon E] gebruikt als smeergeld, met mede-
weten van de fiscus. Het geld zou gestort ziJn op Zwitserse rekenin­ gen. Maar de bewering dat het om tonnen ging, is volgens hem onzin.' Verderop in de publicatie, waar het gaat over de niet af­ gedragen pensioenpremies - circa één miljoen euro pen­ sioengelden zouden zijn verdwenen - volgt wederom het standpunt van [geïntimeerden] :
'De directeuren [XX] zeggen van niks te weten en willen de zaak uitzoeken. Maar ruim anderhalve week na het interview hebben ze nog niets laten horen.'
Wat betreft het jaar 2002 volgt op de passage dat de ac­ countant geen oordeel gaf over de getrouwheid van de jaar­ rekening als geheel het standpunt van [geïntimeerde 1] (geïn­ timeerde sub 1}:
' "Ach 2002 was een moeilijke tijd", blikt [geïntimeerde 1] terug "In de cijfers kun je dan wat spelen met voorraden, afschrijving, vorderingen en schulden." '
Wat betreft de kwestie rond Fortis luidt het standpunt van [geïntimeerden] blijkens het artikel als volgt:
'Het hele Fortis-verhaal berust volgens oud-directeur [geïntimeerde 1] op een misverstand. Een koper had hen laten zitten met het vlees.'
Dat de standpunten van [geïntimeerden] aldus niet of niet juist zouden zijn weergegeven, is door hen niet (ge­ motiveerd} gesteld.
4.9.6.
Gelet op alle omstandigheden van het geval, in on­ derlinge samenhang bezien, is het hof, ook wat betreft de onderhavige publicatie, van oordeel dat er niet sprake is van lichtvaardige verdachtmakingen van [geïntimeerden] . Ook hier geldt dat het belang van [geïntimeerden] om niet, althans niet negatief, in de pers te komen moet wijken voor het belang bij, kort gezegd, een vrije meningsuiting (zie art. 10 EVRM}, waardoor misstanden, in casu, kort gezegd, verdwenen gelden, een onduidelijke ad­ ministratie en gefingeerde facturen betreffende de onder­ neming [XX] te [plaats] , aan de kaak kunnen worden ge­ steld. De resultaten van eventuele onderzoeken van de cu­ ratoren en de Fiod, waarvan voorshands niet duidelijk is wanneer die zullen zijn afgerond en/of in hoeverre die re­ levant zijn, behoeven dan ook niet te worden afgewacht. [geïntimeerden] betwisten weliswaar de feitelijke juistheid van de door de Limburger B.V. c.s. vertolkte standpunten, maar het gaat ook in dit artikel in elk geval om een gedocumenteerde interpretatie van de feiten en de Limburger B.V. c.s. hebben, door de voormelde weergave van de standpunten van [geïntimeerden] , voldoende mel­ ding gemaakt van de op een andersluidende interpretatie van de feiten gebaseerde mening van [geïntimeerden] . Ook hier komt het hof tot het oordeel dat de beoogde kran­ tenpublicatie "De beerput van [XX] " jegens [geïntimeerden] voorshands niet onrechtmatig is. Ook in zo­ verre falen de grieven.
Slotsom
4.10.
Uit al het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerden] dienen alsnog te worden afgewezen; de vordering terzake de publicatie "De miljoenen van de Commerzbank en gesjoemel met vlees" wegens gebrek aan belang. [geïntimeerden] dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger be­ roep te worden veroordeeld.
5. De uitspraak Het hof:
vernietigt het tussen partijen door de voorzieningenrech­ ter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 7 april 2006;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de Limburger B.V. c.s. worden begroot op
€ 248,-- aan verschotten en€ 816,-- aan salaris procureur in eerste aanleg en op€ 585,86 aan verschotten en
€ 1.341,-- aan salaris procureur voor het hoger beroep;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Zwitser-Schouten, Venner­ Lijten en H. Vermeulen en uitgesproken door de rolraads­ heer ter openbare terechtzitting van dit hof op 14 novem­ ber 2006.
griffier rolraadsheer