ECLI:NL:GHSHE:2005:AS9906
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Draijer-Udo
- Van Soest-Van Dijkhuizen
- Lohuis
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenbeschikking inzake proefcontacten omgang minderjarige
De man is in hoger beroep gekomen tegen een tussenbeschikking van de rechtbank Breda die de zaak terugverwees naar de Raad voor de Kinderbescherming om proefcontacten te organiseren tussen de moeder en hun minderjarige dochter. De rechtbank baseerde deze beslissing op een rapportage van FORA, waarin werd geconcludeerd dat begeleide proefcontacten noodzakelijk zijn om de pedagogische vaardigheden van de moeder te beoordelen.
De man voerde aan dat hij niet betrokken was bij het FORA-onderzoek en dat zijn fundamentele rechtsbeginselen, waaronder hoor en wederhoor, waren geschonden omdat hij niet mocht reageren op het conceptrapport. Tevens stelde hij dat de rechtbank ten onrechte proefcontacten had opgedragen, gezien de gevaren voor de geestelijke en lichamelijke integriteit van het kind.
Het hof oordeelde dat de bestreden beslissing een tussenbeschikking betreft waarop ingevolge art. 358 lid 4 Rv Pro geen afzonderlijk hoger beroep mogelijk is. Hoewel de man stelde dat er sprake was van schending van fundamentele rechtsbeginselen en verzuim van essentiële vormen, deed dit niet af aan de toepasselijkheid van het wettelijke verbod op afzonderlijk hoger beroep tegen tussenbeschikkingen.
Daarom verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de tussenbeschikking. De zaak kan wel in hoger beroep worden meegenomen bij een daaropvolgende eindbeschikking.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de tussenbeschikking betreffende proefcontacten tussen de moeder en het kind.