ECLI:NL:GHSHE:2004:AS2634
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Van Teeffelen
- Van Zinnen
- Vlaardingerbroek
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij verzoek machtiging uithuisplaatsing minderjarige met verblijfplaats in België
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te behandelen. Het kind, geboren in Tilburg, verbleef sinds oktober 2003 feitelijk bij haar moeder op een camping in België en ging daar ook naar school. Hoewel de moeder officieel in Nederland was ingeschreven, was zij bezig zich definitief in België te vestigen.
De Raad voor de Kinderbescherming had een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ingediend, dat door de kinderrechter werd afgewezen. De raad ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof moest eerst beoordelen of het bevoegd was om van het verzoek kennis te nemen, waarbij artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidend was. Dit artikel bepaalt dat de Nederlandse rechter bevoegd is indien het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Het hof concludeerde dat het kind haar gewone verblijfplaats in België heeft, gelet op de feitelijke situatie en de duurzame aard daarvan. Hierdoor was de Nederlandse rechter niet langer bevoegd, een uitzondering op het perpetuatio fori-beginsel. Dit oordeel werd genomen in het belang van het kind, omdat de autoriteiten van het land van de gewone verblijfplaats betere mogelijkheden hebben om beschermingsmaatregelen te treffen. De beslissing van de kinderrechter werd vernietigd en het hof verklaarde zich onbevoegd.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd omdat het kind haar gewone verblijfplaats in België heeft.